Innige verbintenis aan winderige dijk

De jongste roman van Vonne van der Meer, 25 jaar schrijver, is een ode aan het voorlezen van verhalen.

Herinnert u zich het verhaal Poep nog, van Manon Uphoff uit de bundel Begeerte? Het ging over een zwerver en een dame, die beiden hun tanden in een drol moesten zetten. De een om een huis in bezit te krijgen, de ander om het te behouden. Een onvergetelijk verhaal, en lange tijd enig in zijn soort. Tot u toe.

In De vrouw met de sleutel, de nieuwe roman van Vonne van der Meer (1952) staat een verhaal dat kan wedijveren met Uphoffs Poep. Het is een verhaal dat geschreven is door de fictieve auteur Raoul Trip. Het heet Water, water. Ontlasting speelt ook hier een prominente rol, evenals de onontkoombaarheid voor de hoofdpersoon er iets mee uit te vreten. Het is vies en zielig. En memorabel.

Hoewel bedoeld als een roman laat De vrouw met de sleutel zich makkelijk lezen als een verhalenbundel. Paraplu waaronder deze verhalen schuilen, is het relaas van een vrouw wier echtgenoot kortgeleden is gestorven. Zij, Nettie, mist hem vreselijk, door van der Meer treffend beschreven in een fragment waarin Nettie steeds zijn naam roept wanneer ze 's nachts in bed ligt. In het host van haar eenzaamheid krijgt ze een idee. De volende dag zal ze een advertentie zetten: 'Vrouw, 59, moederlijke voorkomen, brede heupen, prettige stem, komt u voor het slapen instoppen en voorlezen. Discr. verzek. Beslist geen seks.bedoel.'

Verschillende belangstellenden melden zich. Het verslag van haar werkzaamheden, en de verhalen die ze voorleest, houdt ze bij in een dagboek, dat is de vorm waarin van der Meer haar roman goor. Dit dagboek wil haar personage vervolgens weer voorlezen aan haar volwassen kinderen, vier in getal, aan wie ze nog niet heeft durven vertellen dat ze een betaalde baan heeft. De vrouw met de sleutel heeft een intrigerende vorm; als een tekening van de meesterlijke perspectiefbedrieger M.C. Escher. Aan de rijke contouren is van der Meers technische ervaring af te lezen, ook haar liefde voor het korte verhaal ligtin deze roman besloten, maar van een ontroerende schoonheid in dit boek is de kleine ode die van der Meer brengt aan het voorlezen - en misschien wel aan de voorlezers - van verhalen.

Het ene personage wacht een verhaal over een schijnzwangere hond, een volgende krijgt de klassieker Misdaad en straf van F.M. Dostojevski en weer een ander, een jong meisje, Renée genaamd, krijgt (jeugd)herinneringen te horen van Nettie. Deze orale geschiedenisles inspireren het kind zozeer dat zij besluit zelf te gaan schrijven. Netties rol van voorlezer verandert langzaam maar zeker in die van schrijfbegeleider. De schrijfadviezen van Van der Meer, gedaan in de rol van Nettie, zijn volslagen praktisch, en passen uitstekend bij het karakter van haar personage.

Meer nog dan het idee dat iedere schrijver als lezer begint, toont Van der Meer wat hieraan voorafgaat: het voorgelezen worden, het intieme moment waarop je bij je moeder op schoot zit, haar lucht opsnuift en je kinderwang tegen haar hals drukt. Dat pregnante moment - het moment waarop je lezers kweekt, en schrijvers - heeft Van der Meer glanzend weten vast te leggen in haar roman. 'Ik had mijn arm om Renée heen geslagen, het warme kinderhoofd lag tegen mijn borst. Lang bleven we zo zitten. Af en toe streek ik met mijn kin over Renées kruin en dan rook ik de geur van haar doorwaaide haar.'

Dat de liefde wederzijds is, blijkt wel. Lezer en schrijver innig verbonden, op een plekje ergens aan een winderige dijk uitkijkend op Durgerdam. Typisch van der Meer, die met dit nieuwe boek weer zuiver bij stem is.

Daniëlle Serdijn | De Volkskrant, 15 maart 2011 | ****