December

Gerda van de Haar, verschenen december 2009 in Liter 56


'Ik voelde een mengeling van vrees en dankbaarheid in me opkomen, een oeroud respect', zo beschrijft de moeder in een van de decemberverhalen van Vonne van der Meer haar eigen gevoelens als zij op haar dertigste in het huis van de buren bij Sinterklaas geroepen wordt en hij haar vriendelijk peinzend vraagt wat zij nu eigenlijk met haar leven van plan is. Dat is in het verhaal 'Het zingen, het water, de peen' uit Nachtgoed (1993), waarvan je de plot niet snel vergeet: een jongen blijft op volwassen leeftijd gelovig de sinterklaasrituelen uitvoeren. De moeder, ik-verteller, probeert zich het gedrag van haar zoon in te denken.

Dat oeroude respect trof mij nu. Het is kenmerkend voor het zevental oude en nieuwe verhalen in de bundel December: Van der Meer onderzoekt de vragen van geloof en verbeelding. Daarbij liggen voor haar verbeelding en geloof heel dicht bijeen. Het gaat haar – zo lees ik sommige verhalen – om de gemeenschappelijke aspecten van beide fenomenen, over de kracht van verbeelding die mensen laat geloven. En nooit zal zij dat afdoen als inbeelding of projectie, integendeel. Als je deze bijzondere menselijke eigenschap toelaat, het voorstellingsvermogen zijn werk laat doen, gaat het je beter in een plot van Van der Meer. Vaak is het de bedoeling dat die verbeelding een kleine verandering tot stand brengt, de hoofdpersoon een ander spoor laat inslaan, haar of hem de moed geeft om iets wat vastgelopen is weer vlot te krijgen. Dromen helpt. De verbeelding zelf wordt niet gezocht, maar valt de personages toe.
Niet dat het ook maar in een enkel verhaal expliciet over geloof gaat. Er wordt hoogstens zijdelings naar verwezen, via de verbeelding. Maar als verbeelding je helpt, is het stapje naar geloof al bijna genomen. Een lezer die voor alles rationeel wil blijven, krijgt het moeilijk.

Dit alles gebeurt op licht groteske en toch huiselijke wijze. Na het sinterklaasverhaal volgt, ook uit Nachtgoed, het pietverhaal 'Bedrog', waarin het begrip 'smoezelig' een aantal keren een wijziging ondergaat, zoals trouwens ook het begrip 'bedrog'. Via de pakjes in verhaal drie wordt de weg geplaveid naar Kerst. Drie verhalen zijn al eens verspreid verschenen, in Tirade, het AD en Libelle. De bundel besluit met twee nieuwe 'kerstverhalen'.
Kind weg, kind terug, een engelverschijning: het is delicate thematiek, maar ze wordt licht gebracht. Een echte Van der Meer is te diepgaand om cabaratesk te heten, hilarisch met een hardnekkig serieuze kern. Het slotverhaal 'Blauwe Kerst' is qua verbeeldingsonderzoek een mooie tegenhanger van het sinterklaasgeloofverhaal aan het begin.

In de ijzersterke verteltechniek waarop Vonne van der Meer het patent heeft, vielen mij nu de brede lijnen op. Met een enkel beeld wordt niet alleen een karakterschets gegeven, maar ook een heel leven opgeroepen. Een echte flashback is vaak niet eens nodig. Een gedachte, een herinnering volstaat. De lezer kan er zonder moeite een vuistdik boek achter dromen, maar in een flits is het weer voorbij. Kort en krachtig zijn de verhalen, net als overigens de romans. De lezer wordt er in gelokt en er weer uit getorpedeerd. De leeservaring deed mij – maar dat klopt natuurlijk niet – heel even denken aan de tweehonderdveertig losse hoofdstukjes van Tolstojs Anna Karenina. Een verschil is dat daar een leven ten einde toe wordt doorgedacht, tot het bittere einde zelfs, in die roman. Voor het verbeelden van verbeelding volstaat een kort verhaal, zoals zeven keer in December.