December is meer dan een ideologische invuloefening van een gelovige; kwalitatief ontstijgt dit boek ver de gelegenheidsbundel.

December is een verlokkende titel. Literair plaats je je direct met zo'n wintertitel: de oude meeste Dickens zit erin en de plechtige schelm Gerard Reve. Eigenlijk raar dat niet vaker gegrepen wordt naar de naam van een maand als titel, want ook al blijkt het als je even nadenkt nogal eens onzin - als de 'wreedste' maand april, van de dichter Eliot - zo'n woord vangt de beoogde sfeer op beklijvende vierentwintigkaraatswijze. Neem december: vroeg donker, feestverlichting, Sinterklaas, de schoen zetten, de klem der kamerwanden, drankovergoten personeelsfeestjes, kerstviering, Kindeke Jezus, naastenliefde, Oudjaar.
Bijna al deze trefwoorden gaan op voor de Verhalen in Vonne van der Meer's bundel December. Het zijn er zeven. Samen omspannen ze december dagen van Sint tot en met Kerst, en de wereld is als geboekstaafd in zeven dagen geschapen, dus met inzet van zulke symboliek kan het bijna geen toeval zijn dat lawaaierige heidense eindejaarsfeest van Oud op Nieuw niet meedoet in December.
Geen oliebollen. Pfanzerfaustern, zwarte betonstrijkers en bazooka's voor Vonne, maar diepgelovige kinderen, verborgen leed en Mariaverschijningen.

December is een gelegenheidsuitgave. Ten teken daarvan zijn twee eerder in boekvorm gepubliceerde verhalen opgenomen, 'Het zingen, het water, de peen' en 'Bedrog'. Twee superieure verhalen die iets met de Sinterklaastijd te maken hebben, de eerste over een jongetje dat zelfs als adolescent weigert zijn ritueel beleden geloof in de goedheiligman op te geven, de tweede over een oppassende huisvrouw die vleselijk verkeert met een groezelige Zwarte Piet, die zijn mannetje staat.

De overige vijf verhalen zijn nieuw: 'In vreemde handen ' gaat over een man die zijn koffer met pas aangeschafte cadeaus voor zijn echtbrekende echtgenote op de bagageband van het vliegveld laat staan; "De Kinderdief' over de mysterieuze jaarlijkse diefstal van het Jezusbeeld uit de kerststal op het dorpsplein; 'Zwartslapers' over een dakloos paartje dat gedoogd de nacht doorbrengt in een leegstaande villa; 'Maria, hou je vast, je zoon zoekt je' over een oude, invalide vrouw die in haar jeugd haar pasgeboren zoon moest afstaan en hem uiteindelijk, vlak voor het te laat is, weerziet; 'Blauwe kerst' over een vrijgezelle cardiologe die als Mariaverschijning in blauwe jurk zwaar getroffen patiënten ten ziekenhuize angelieke woorden van troost verstrekt. Niet gering: zes op de zeven verhalen zijn ronduit geslaagd. Slechts 'Maria, hou je vast, je zoon zoekt je' maakt de indruk een naverteld levensverhaal te zijn van een kennis van de schrijfster. En journalistiek opgetekende indrukwekkende levensfeiten, weten we, maken nog geen literatuur.

Verdriet tussen de regels

Van der Meer, die tien jaar geleden bij een groot publiek doorbrak met de verhalenbundel Eilandgasten, hoef je dat natuurlijk niet te vertellen. Verhalen schrijven was en is haar stiel. Die ene misser zal wel zijn voortgekomen uit zorg van de uitgever hoe hoe bij December een reguliere omvang van een verhalenbundel gehaald moest worden. Vandaar ook het uitwijken naar eerder gepubliceerd proza.

Is dat erg? Klein gebrek geen bezwaar. Dat is nu eenmaal de makke bij verhalenbundels. Soms, zoals bij Gerard Reves Tien vrolijke verhalen, zijn minder dan de helft van de verhalen goed, maar is het daarmee een mislukte bundel? Zijn verhalen 'Een lezing op het land', 'Haringgraten', 'De Kerstavond van zuster Magnussen' en 'Lof der scheepvaart' had ik voor geen goud willen missen. Eenzelfde lofzang kan ik houden op December: 'Het zingen, het water, de peen', 'Bedrog, 'Zwartslapers' en 'Blauwe Kerst' zijn de hoogtepunten, waarin Van der Meer verder reikt dan de anekdote, de consensus van wat 'normaal' heet te zijn, waarin ze de sluimerende problematiek waarom het eigenlijk in deze verhalen gaat - overspel, huwelijkse spanningen, eenzaamheid - niet benoemt. Verstandig genoeg, want daarmee zou ze de onderhuidse spanning, de geladenheid in dit proza teniet doen.
Van der Meer is verteltechnisch een kampioen van het understatement. Niet in de zin van ironie. Ik doel op haar kunst van het weglaten, van broeierig suggereren met maximaal effect.

In 'Het zingen, het water, de peen' richt de ik-vertellende moeder zich op het afwijkende gedrag van haar tienjarige zoon Tom: hij blijft Sinterklaas vereren. En als hij doorkrijgt - altijd zijn er rotzakken die dat voortijdig vertellen - dat de onbaatzuchtige, lieve kinderweldoener niet bestaat, blijft hij zijn schoen zetten, alsmede een bakje water en een gezonde winterpeen voor de trouwe schimmel. Dat ritueel geschiedt immer begeleid door de wonderschone evergreen 'Sinterklaasje bonne bonne bonne'. Toms oudere broers hebben geen begrip voor deze volharding en hun vader is de grote afwezige in huis. Regelmatig blijft hij een nacht weg, onder onduidelijke verklaringen. Moeder denkt daar liever niet over na, ze verdringt de bange intuïtie. Dan lijkt Tom's gedrag een hanteerbaarder probleem.

Lijkt, want ook als adolescent blijft hij 's avonds zingen en peen fourneren. Waarom, vraagt moederlief, je gelooft niet eens. Het hoort er gewoon bij, antwoordt hij. De moeder noemt geloof - met dank aan Elias Vanetti - een zoektocht, maar Tom heeft simpelweg behoefte aan zijn ritueel. Waarom wordt je dan geen katholiek, protestant, boeddhist, desnoods moslim, vraagt ze. Maar die rituelen zeggen hem niks, zouden hem nooit iets zeggen, omdat ze niet in hem verankerd zijn. 'Er was maar één ritueel dat hij overtuigd, volkomen vanzelfsprekend kon uitvoeren, en dat was het ritueel met de schoen.' Zijn vertrouwde ritueel, begrijp ik, uit de tijd dat de wereld nog heel was, de huwelijksproblemen van zijn ouders nog niet zichtbaar. De 'schoen' staat zo bezien voor Toms algemeen menselijke weerzien tegen verandering in een onafwendbaar veranderende wereld - een trekje dat hij deelt met meer personages van Vonne van der Meer. Zij weigering dat waarin hij gelooft te verhullen, zijn nee tegen de conventie, maakt hem in de ogen van anderen een zonderling. Want zijn meisje - het adolescente paar zou de nacht in Toms ouderlijk huis doorbrengen - trekt het Sinterklaasgedoe niet; ze neemt de laatste bus naar huis. Dit drama komt droogjes tot ons in eenvoudige taal, en wordt indringend door het gebrek aan uitleg, verklaring of interpretatieve geste. Al dat verdriet tussen de regels door krijg je rauw voor je kiezen, gelegenheidsbundel of niet.

Troostengel of verdwaasde

Vonne van der Meer staat gevoeglijk bekend als gelovig schrijfster, als hedendaags literair rentmeester van Gods geheimenissen, maar December toont dat zo'n gestold etiket niet tot een ideologische invuloefening hoeft te leiden. Goed, sommige personages geloven wel, maar wat ze scherper karakteriseert, is het geheim dat ze in hun leven meedragen. Dit kan gaan, zoals in 'Bedrog', om irrationeel gedrag, waardoor een tut van een huismoeder het doet op een vlekkerige vloerbedekking met een vers geschminkte Piet. Zomaar. Of het gaat om een arts in het slotverhaal 'Blauwe kerst' die tuk is op onderbezette nacht- en weekenddiensten, omdat ze dan haar 'onderzoek' onbespied kan volvoeren: in het holst van de nacht als 'mevrouw in het blauw' meestal bij terminale patiënten langsgaan. 'Niet bang zijn, heb vertrouwen' zegt ze dan en de toehoorders worden rustiger van deze 'engel', zo bewijst haar onderzoek.
Je ziet het voor je, komt zo'n lijp type in opoegewaad een beetje ongevraagd staan prevelen op de intensive care. Goed voor een doodschrik. Gelukkig houdt Van der Meer beide opties - troostengel of verdwaasde - open. Zowel een intelligente geloofsbeleving als literatuur kan nu eenmaal niet zonder het besef van ambiguïteit.

Vrij Nederland | Jeroen Vullings | 5 december 2009