De troost van schelpen

Eilandgasten, het nieuwe boek van Vonne van der Meer, is een liefdesverklaring aan het eiland Vlieland en daarmee een ode aan het leven zelf. Op Vlieland, meer in het bijzonder in het vakantiehuisje Duinroos, spelen zich zes geschiedenissen af, van het vroege voorjaar tot in september. Allereerst is er een echtpaar (met kind) waarvan de man pas overspel heeft gepleegd, wat zijn vrouw heeft geraden. Hoe nu verder? Heelt tijd de wonde?

Dan betrekken Martine en Sanne huize Duinroos. Sanne is de dochter van Martines vriendin. Ze is stuurs en vervelend omdat ze, blijkt alras, zwanger is. Ze overweegt het kind te houden, waar Martine uit eigen ervaring op tegen is, maar gaandeweg verschuiven haar ideeën hierover.

Later komt er een man wonen die zelfmoord wil plegen, maar in de voorbereidingen daartoe zo verstrikt raakt dat hij het leven weer omarmt en na hem, in het boek dan, zit er een gezin met een man die de vakantie verpest door de frustratie dat hij op zijn werk door een jonger iemand gepasseerd is. Zijn vrouw raakt wanhopig maar overwint haar gram en hij de zijne.

Dan zijn er drie jongelui, Tom, Walter en Willemijn, van wie de laatste twee al een paar jaar samen wonen en slapen zonder - om het maar even kort te zeggen - dat ze elkaar ooit naakt hebben gezien, al zijn ze dol op elkaar. Tom is verliefd op Willemijn. Walter brengt de twee bij elkaar, contre coeur, omdat hij weet dat dit voorgoed is en hij Willemijn nooit meer zal zien. Waarom doet hij data Volgens Tom omdat hij een engel is.

De laatste gast, een oudere vrouw, wordt binnenkort opnieuw opgenomen in het ziekenhuis en weet bijna zeker dat ze deze keer zal sterven. Haar grote wrok geldt echter haar dode moeder en die wrok wil ze kwijt voor ze sterft, wat lijkt te lukken. In vrede wacht ze tot de veerboot haar komt halen.

Het geheim van Vonne van der Meers beste werk - en daar behoort dit boek toe - is een raadselachtige helderheid, waarin overbekende onderwerpen (hier: overspel, abortus, zelfmoord), zonder uit hun alledaagse setting te worden gehaald, opgaan in een subtiel weefsel van stemmen en motieven dat alles op een ander, moeilijk benoembaar plan brengt en waaraan een parafrase natuurlijk in geen enkel opzicht tegemoetkomt. Zo maakt de veerboot uit het laatste verhaal de Waddenzee ineens tot de Styx en Vlieland tot het verhevigde leven, een idee dat vervolgens uitstraalt naar de andere verhalen en daarin ook voet aan de grond krijgt.

In al deze vertellingen gaat het om vormen van inzicht, alle eilandgasten worden aangeraakt door een idee over een mogelijk besluit, een richting, een aanvaarding. Misschien is er een goede engel die ze geleidt, in ieder geval is er een engelenattribuut dat een opmerkelijke rol speelt: een vogelveertje. De vrouw die het huis schoonhoudt en die in drie eigen korte episodes aan het woord komt, heeft het een keer gevonden en in het gastenboek gestopt, bij de nieuwe bladzijde. De vrouw met de overspelige man denkt: 'Een goed teken (...) het huis wil ook dat wij opnieuw beginnen.' Sanne aait er gedachteloos mee over haar zwangere buik. De zelfmoordenaar bedenkt dat zijn dochter het een teken van zijn overleden vrouw zou vinden (om wie hij niet verder wil leven). De vrouw met de humeurige man strijkt ermee langs haar lippen op het moment dat ze bedenkt dat er misschien wel 'een gemeenschap van eenzamen' bestaat, 'mensen die je gezelschap kwamen houden wanneer je aan hen dacht', en op dat moment lijkt er iemand achter haar te staan, die naar de sterren wijst, 'naar iets dat ouder was dan haar verdriet'. De vrouw die bang is dat ze gaat sterven heeft het waarschijnlijk meegenomen, vermoedt de vrouw die het huis schoonhoudt en die in alle episoden geregeld even langsfietst, naar binnen kijkt, vriendelijk groet. Ook een soort beschermengel, maar nee, dat zou te zwaar zijn, daar is Van de Meers proza te licht en te onnadrukkelijk voor.

Toch is het effect van deze overdenkingen, die het boek zelf aanbiedt, de gedachte, of het gevoel, dat onze eenvoudige lotgevallen, hoe erg soms ook, opgenomen zijn in een groter verband, dat, als de zee om Vlieland, ruist om dit leven, maar dat ons ook nadrukkelijk naar dit leven verwijst. Zeker, in het gastenboek - het dringt nu pas tot mij door - worden we verwelkomd door de gastheer met de onleesbare handtekening, die in dat boek door sommige gasten ook wordt aangesproken met Geachte gastheer, en die lang geleden het huis eigenhandig heeft gebouwd. En zeker doet de vrouw die het huis voor hem bijhoudt het gastenboek in een envelop om het hem toe te sturen, hoewel ze eraan twijfelt of hij het leest. En zeker denkt de vrouw die bang is dat ze gaat sterven, dat ze in Duinroos alleen maar te gast is geweest en dat dat haar nu juist tevreden stelt, 'alsof ik als gast iets begreep waarvan ik altijd doordrongen zou willen zijn' - van haar tijdelijkheid vermoed ik, als gast van God in Zijn schepping. Maar Eilandgasten, zoals het boek veelbetekenend heet, roept toch vooral het raadsel van het leven op, en dat we dat leven moeten leven en genieten, samen met het raadsel van de dood en dan kan het vage idee helpen dat ons allen wel eens treft, dat er aan leven en dood een eenheid ten grondslag ligt, mooi verbeeld in het slot: de werkster verzamelt elk jaar aan het eind van het seizoen alle schelpen die ze in het huisje vindt, brengt ze terug naar de zee en speelt met de gedachte dat ze weer aanspoelen en opnieuw zullen worden meegebracht. 'Dat steeds andere handen dezelfde dingen aanraken, bewonderen, een plaats geven. Dat niets ooit verloren gaat.'

Ik vind het een troostrijke gedachte die het troostrijkste boek in de herinnering roept dat ik ken: De tienduizend dingen van Maria Dermo-t, waarin de dingen - schelpen, golfjes, stemmen - de eeuwigheid verbeelden die ons allertijdelijkste leven omspoelt. 'Kan een schelp troosten?' vraagt iemand zich daar af. Ja dat kan, op Ambon of op Vlieland.

ROBERT ANKER | Het Parool | 1999/09/03