Fictie | sensitieve roman over rouw en de helende kracht van het geloof

De eerste twintig pagina's zijn zonder meer gruwelijk: een jonge advocaat spijbelt op een goede surfdag van kantoor. Zijn vrouw is woedend, het is hun trouwdag en met het hele gezin zouden ze iets speciaals gaan doen. Op de pier bij het strand waar hij altijd surft, wenkt ze hem, twee kleine kinderen aan haar hangend, een derde in de buggy. In een onbewaakt moment laat ze de kinderwagen los, of liever gezegd, ze doet dat om boos op haar horloge te tikken. Een windvlaag jaagt de elf maanden oude Björn met wagen en al met een enorme vaart over de pier het water in, zo op de stenen, hij is op slag dood.

Een mindere schrijver zou vanaf hier dieper in het sensationele ongeluk duiken, wetend dat mensen ervan genieten, als van een ongeluk dat hen wel raakt, maar gelukkig niet zelf overkomt. Maar Vonne van der Meer verstaat na een kwart eeuw als schrijver haar vak en kiest een andere weg. 'Laten we niet stilstaan bij het rampjaar, niet zwelgen in het ongeluk van de kleine Björn en de schaduw die het wierp op ieder die hem liefhad. Gun dit gezin zijn schuwe periode, til de steen niet op waaronder het zich schuilhoudt.'

Als deze roman niet over het particuliere leed van deze ouders gaat, waarover dan wel? Over schuld, boete doen, verlokking en de troost van het geloof. Van der Meer springt zeven jaar verder in de tijd. De ouders, Françoise en Floris, lijken er weer bovenop te zijn, ze raken bevriend met een ander stel, May en Pieter, 'mensen van na het ongeluk'. De afwezige zoon is naar de achtergrond verdrongen, de ouders zijn klaar met hun terugtrekkende bewegingen, ze claimen niet langer allebei exclusief het grootste deel van de schuld (en dus het grootste deel van het verdriet). Maar dan gebeurt toch iets wat al in de lucht hing, maar zich toch nog onverwacht aandient: Floris wordt verliefd op May. De overspelplegers schamen zich dood, maar gaan er nog de hele zomer mee door.

Van der Meer laveert ook hier handig om de clichés heen. Ze schrijft observerend over hoe de twee minnaars 'verstrikt raken in vlees' en zich daarover ontzettend schuldig voelen. Opnieuw wendt ze zich tot de lezer, zegt hoe in verhalen de kalme, zachtmoedige naturen vaak worden veronachtzaamd en verlegt het perspectief naar de bedrogen echtgenoot, Pieter. De wending die volgt is verrassend, zij het misschien minder voor lezers die het werk van Van der Meer (en dat van haar man Willem Jan Otten) kennen: het geloof helpt de overspelige May na de zwoele zomer haar driften te beheersen. Gesprekken met een non, die ze regelmatig ontmoet, werken louterend. Ze leert bidden. Het wordt zelfs een tweede natuur. Hier keren de thema's uit ouder werk van de auteur terug: menselijk falen kan alleen worden gepareerd door loslaten en overgave aan een hogere macht. Het smalle pad van de liefde is een mooie, sensitieve roman waarin rouw, overspel en geloof onverwacht in elkaar grijpen.

Hoe zorgvuldig de opbouw is, merkt de lezer die terugkeert naar het begin. Vlak voordat Björn te pletter valt, waarschuwt de overbezorgde moeder haar andere kind dat zich te dicht bij de pier van basaltblokken waagt. 'Niet ongevaarlijk want de reusachtige blokken basalt en beton lagen niet aaneengesloten maar schots en scheef, en tussen de stenen waren diepe spleten waar een kindervoet zo in bekneld kon raken.' Een profetie, want meteen daarna slaat het noodlot toe.

Elsevier / Irene Start