Vonne van der Meer: 'Ik moet ze vrijlaten'

Dankzij haar 'eiland'-trilogie is Vonne van der Meer een van ’s lands populairste auteurs. Dat komt vooral door haar authentieke personages, die bijna los van de schrijfster hun eigen gang lijken te gaan. Ook in haar nieuwe roman Zondagavond. ‘Het is als met je kinderen, je helpt ze.’

'Stél,' zegt Vonne van der Meer. We bevinden ons in de zonovergoten achtertuin van haar huis in Naarden-Vesting en ze probeert mij duidelijk te maken hoe ze vroeger, in haar jaren als toneelregisseuse, met de acteurs een stuk voorbereidde. Haar ogen lichten op en geanimeerd klinkt het: 'Daarnet kwam jij hier binnen, je zei wat over dit stadje, over ons huis en over mijn boeken. Maar stél: je komt hier met dezelfde gedachten binnen en ik verbíéd je te praten. Dan moet je alles wat je in je hoofd hebt met je lichaam uitdrukken. Hoe ga je dat doen?'

Zo gaat ze dus met de personages uit haar romans en verhalen om, realiseerde ik mij bij dit gedachte-experiment dat mij opeens werd toebedeeld, zo intens leeft ze zich in hen in, zo wekt ze ze tot leven. Precies daarom wilde ik haar spreken, Vonne van der Meer (1952), de schrijfster die zich nogal onzichtbaar ophoudt achter het waarachtige gewemel van haar intrigerende personages, die zich menselijk, al te menselijk en dus soms ook onvoorspelbaar en irrationeel gedragen. Dit voorjaar verscheen de terecht breed bejubelde roman Zondagavond. Wederom schrijft ze daarin dicht op of onder de huid van haar personages - ditmaal: twee vrouwen en een man die in een door verzwegen oorlogsperikelen bezwaarde driehoeksrelatie verkeren. Sinds haar doorbraak naar een groot publiek met de 'eiland'-trilogie - Eilandgasten, De avondboot, Laatste seizoen - is ze alweer tien jaar lang een veelgelezen schrijver. Ze schuwt geen publiciteit als die zich bij haar aandient en veelvuldig trekt ze het land in om lezingen te geven over haar werk. Maar op het Boekenbal zie je haar niet. In de krant schrijft ze niet, in glossy's roert ze zich niet en evenmin manifesteert ze zich als blogger.

Bestuurs-, commissie- of juryfuncties in de literaire wereld bekleedt ze niet. Het enige, substantiële levensteken dat ze periodiek verstrekt, is de publicatie van een nieuw boek, waarin ze - is mijn indruk - met ons, de lezers, communiceert via haar personages van vlees en bloed. Zulk schrijverschap bestaat dus nog anno 2009.

Omweg via toneel

Op de vraag naar de genese van dat schrijverschap verwijlen haar gedachten eerst bij de kindertijd: 'Heel ver terug: als kind was ik altijd aan het lezen. Dat vond ik het allerfijnst, je terugtrekken met een boek. Fysiek was het ook een belevenis, naar de bibliotheek gaan op zoek naar iets dat je nog niet kende. De bibliotheek in Laren was uitzonderlijk; ik herinner me een zaal, zo'n leeszaal uit Engelse films die zich op universiteiten afspelen: bruin van kleur, met lambrisering en nogal veel balken. Mannen in pakken zaten daar te studeren.' Uit het grote lezen ontstond de drang om zelf verhalen te schrijven. Maar om dat als achttienjarige op haar studentenkamer in Amsterdam, geïsoleerd van de rest van de wereld, te beproeven, nee. 'Ik begreep dat ik de omweg van toneel nodig had: met mensen werken, ze zo goed mogelijk leren kennen.'

Ze volgde de regieopleiding aan de Amsterdamse Theaterschool en leerde daar improviseren. 'De eerste les moest je je kleren bij elkaar zoeken, dat was al heel bepalend. Want wat doe je: hooggesloten? Bleke kleuren? Als dat personage moest je daarna urenlang bewegen, praten, een monoloog houden. Het laatste onderdeel was: op maandagochtend de stad in, als dat personage. In die kleren. We kwamen bij elkaar in een café, en dan moest je in die rol koffie bestellen - de leraar zat daar ook, hij keek hoe je je gedroeg. Dat gevoel om zo'n personage te zijn, nam ik mee in het schrijven. Toen ik in Zondagavond schreef dat mijn personage Mila Salomons in de bioscoop zit en ik even niet meer wist hoe ik verder moest, dacht ik: hoe zit ze daar? Wat heeft ze aan? Hoe gaat ze dadelijk opstaan? De inleving bij mij is die van een actrice.'

Wilde je dan geen actrice worden?

'Zelf acteren lag mij helemaal niet; ik kon nooit de verbinding maken tussen andermans tekst en mijzelf. Mijn bewondering voor toneelschrijvers is te groot om hun werk te verzieken. Ook het regisseren leverde gereedschap voor het latere schrijven. Ik was een 'zussie-regisseur', geen vader. Met name actrices willen nog wel eens een autoritaire figuur die met ze de kroeg ingaat en een arm om ze heen slaat en hun hele leven met ze doorneemt. Ik was meer iemand die acteurs van tevoren een soort dagboek gaf over mijn verhouding tot het toneelstuk, met mijn eigen associaties en herinneringen - waarom ik het mooi vond. En daarna, nadat we gezamenlijk het stuk hadden doorgelezen, kon ik een acteur vragen om een bepaalde scène nu eens non-verbaal te verbeelden. Als dat iets goeds opleverde, kwam dat in de mise-en-scène terecht.'

Er volgen meer toneelverhalen, anekdotes uit een periode uit haar leven die zo'n tien jaar geleden ten einde kwam. Ze onderbreekt zichzelf en zegt: 'Als ik erover praat, begrijp ik niet waarom ik ermee gestopt ben - met toneel.' Maar ze weet nog maar al te goed dat al bij de wording van haar roman Zo is hij, die in 1991 verscheen, de agendavullende arbeid die regisseren is, haar benauwde. Het schrijven eiste immers tijd, die zich ongaarne voegt naar een theaterplanning. 'Een gezelschap vroeg mij voor het overovervolgende seizoen bijvoorbeeld Arthur Miller te regisseren, maar wil ik dat tegen die tijd nog wel? Wie ben ik over drie jaar?'

Nee, makkelijk was ze niet, beseft ze. 'Ook bij de casting heb ik nooit enige concessie willen doen. Er stonden twee of drie acteurs op mijn lijstje en als die het niet konden doen, zei ik: dan maar niet.'

Moeten je personages ook een casting doorstaan?

'Nee, want die personages ontwikkelen zich.'

Waaruit?

'Uit een observatie, uit een gedachte. Zoals een improvisatie ontstaat.'
Direct herbeleeft ze de creatie van het personage Freeke uit Zondagavond. Ze spreekt opeens zacht, nog net hoorbaar, de blik neerwaarts, en prevelt een lange, interpunctieloze zin, zoals ze dat vermoedelijk doet alleen achter haar bureau: 'Freeke doet verantwoordelijk werk wat voor werk chirurg dat is wel mooi moeilijk werk dat is wel interessant ja brandwonden dat is het en ik wil dat ze een kind heeft dat het huis uitgaat kind uit huis vader leunt zwaar op haar ze zit er net tussenin wat zij met haar kind meemaakt maakt haar vader met haar mee.' Ze kijkt op en zegt op normaal volume: 'Dan komen de associaties, dan gaat het hard.'

Niet privé

Een week later, half maart, is het Boekenweek. Ook in Leiderdorp waar de bibliotheek zich verheugt op een ontmoeting met Vonne van der Meer. Zo'n vijftig belangstellenden nemen plaats in de zaal, vooral vrouwen van middelbare leeftijd. Ten behoeve van de schrijfster is een enórme zetel opgesteld, zo een waar je zonder hermelijnen mantel een pleefiguur in slaat.

'Arthur van Schendel, Louis Couperus, Maria Dermoût, die horen daarin,' zegt ze en ze gaat achter het katheder staan. Eerst citeert ze een strofe uit Ischa Meijers gedicht 'Rivierenbuurt', dan steekt ze van wal. Ze spreekt over de non-fictionele achtergronden van Zondagavond, de 'kinderwerkers' die Joodse kinderen door bezet Nederland naar onderduikadressen voerden. Ze heeft het over de vrouw aan wie het boek is opgedragen. Ze verwijst naar Judith Herzbergs toneelstuk Leedvermaak: het onderduikkind dat nog altijd op bezoek gaat bij het pleeggezin van weleer. Daarna geeft ze inzage in haar schrijverskeuken. Ze vertelt hoe ze personages typeert. Een personage is als een Engelse bruid, leren we: ze moet something old dragen (de observaties), something new (fantasie) something borrowed (de research) en something blue. Dat laatste is iets persoonlijks, iets specifieks uit haar eigen bestaan waarmee ze zo'n personage toerust, opdat het niet inwisselbaar wordt.

'Zo dicht als ik schrijvend bij een personage kan komen, zo dichtbij kom ik in een gesprek niet. Daarom koos ik voor fictie, daarom verzin ik personages in plaats van mensen te interviewen.' Tot besluit van het deel voor de pauze leest ze uit haar roman voor, als een begenadigd actrice.
Het is al met al een perfect geregisseerd optreden, de balans tussen vertellen en voorlezen is evenwichtig. De enige wanklank komt van een mechanisch opwindvogeltje, dat ter opluistering van de in het teken van het dier verkerende Boekenweek achterin de zaal neergeplant is. Om de drie minuten doet hij: 'Tsjielp. Tsjielp.' Vonne van der Meer: 'Kan dat vogeltje zijn smoel houden?'
Ook in de pauze gaat het door. Ze had het voordien al voorspeld: 'Ik schrijf een boek en ik krijg er legio verhalen voor terug.' Verhalen over familieleden in het verzet, Joodse onderduikkinderen, koerierswerk, ook hier worden ze tijdens en na het signeren aan haar verteld. Over de reacties is ze tevreden, zegt ze later die avond, vlak voor haar trein vertrekt. Bij de beantwoording van de vragen uit de zaal is die avond ook duidelijk gebleken, hoe charmant ze het ook bracht, dat ze in het openbaar geen mededelingen wil doen over privé-zaken. Ze biedt de lezer de intimiteit van de personages - something blue. Ander contact is niet de bedoeling.

Waarom scherm je je privé-leven zo af?

'Ik ben zusje, dochter, vrouw, moeder en mijn gevoelens hangen daardoor natuurlijk sterk samen met de levens van anderen - regelrechte, gigantische bezorgdheid. Drie jaar geleden stierf mijn broer en twee dagen na de begrafenis zou er een KRO-interviewer komen, dus heb ik die man afgebeld. Toen zei hij: maar dat is toch niet erg, alle mensen zijn toch wel eens zwaar verdrietig, dat mag toch in een interview? Waarop ik antwoordde: maar daar heb ik geen zin in. Dat is mij te exhibitionistisch. Ik vind dat ik mijn omgeving moet beschermen. Als ik daarover zou praten, zo vers van de lever, dan zou ik de privacy van mijn dierbaren schenden. Ik laat mij niet binnenstebuiten keren op een moment dat ik naar binnen wil keren.'

Heilsboodschappen

Een paar weken later zitten we weer in de achtertuin in Naarden-Vesting. Echtgenoot Willem Jan Otten slentert welgemoed voorbij, op weg naar zijn schrijfhuisje achterin die tuin en zijn essaybundel in de maak. Vonne van der Meer en ik komen te spreken over een verwijt dat haar in de literaire kritiek nogal eens is gemaakt: dat haar personages marionetten in heilsboodschappen zijn. Stellig pareert ze: 'Essentieel voor mij is juist de vrijheid van de personages. Ik ben in mijn werk juist heel erg bezig met niet ingrijpen. Als Freeke [in Zondagavond] in Berlijn is, schep ik alle mogelijkheden voor haar om door de knieën te gaan in religieus opzicht. De kerk staat open, letterlijk. Maar het gebeurt niet, omdat het niet bij haar past. Je kunt wel iets verzinnen, maar niet iets schrijven dat niet bij een personage past. Je krijgt dan niet de goede zinnen. In dat opzicht liegt de taal niet.'

Geef eens een voorbeeld.

'Alle verhalen in Eilandgasten eindigen met een moment van inzicht. Dat wilde ik ook bij het slotverhaal. De hoofdpersoon is de verliezer bij een driehoeksverhouding, hij loopt de trap op en kijkt naar buiten - naar het paartje dat hij in wezen zelf geschapen heeft. Ik wilde hem dan iets wijs laten denken.

Maar ik begin die scène te schrijven en ik merk dat ik die man niet naar boven krijg, letterlijk niet naar boven. Raar om na jaren schrijverschap een personage dat fysiek niets mankeert niet de trap op te kunnen krijgen. Ik kreeg geen zin met een swing erin uit mijn pen, het bleef houterig. Tot ik me realiseerde: als ik dat niet kan, dan zegt dat iets over die situatie, er klopt dus iets niet, ik wil iets van het personage waar hij niet aan toe is. Waar is hij dan wel aan toe? Hij is heel erg boos en teleurgesteld en hij wil snel weg, van het eiland af. Toen ik dat bedacht had, kon ik die scène schrijven. Als je iets wilt beschrijven dat wringt, opgelegd is, bedacht door de schrijver, dan willen de zinnen domweg niet lopen.'

Toeval

Maar die waarachtigheid, bijvoorbeeld bij Freeke die haar kans op religieuze overgave niet grijpt tegen het slot van Zondagavond, levert de lezer ook weer vrijheid op, stelt ze

Door een open einde?

'Ik doel op de mogelijke teleurstelling van de lezer over Freekes gedrag. Dat is ook een deel van het boek: de reactie van de lezer wordt onderdeel van de leeservaring en daarmee van het boek.' Ze zegt het bondiger: 'Niet ik ben belangrijk, maar de wereld die ik schep.'

Scheppen - zo komen we toch uit bij de religieuze component van Vonne van der Meers proza, waarmee ze zichzelf volgens sommige critici literair tekort doet. Zelfs Zondagavond, haar beste roman, gaat over de religieuze overgave van de bejaarde weduwnaar Robert Blauwhuis - met laatste sacramenten en al.

Zit je geloof je schrijverschap niet in de weg?

Die vraag had ze verwacht, want ze heeft, zegt ze, ten antwoord een citaat voor me uitgezocht. Ze leest een hooggestemde passage voor uit W.J.M. Bronzwaers essay 'Graham Greene: de emancipatie van de katholieke roman' (opgenomen in zijn bundel Vormen van imitatie uit 1969): 'Over hem, de schrijver, de toeschouwer bij de komedie van het leven, heeft Greene zich met al zijn aandacht gebogen. Hij is het die, zoals ieder mens, zijn keuze moet bepalen tussen een houding van klinisch toezien of een houding van medelijden, waarin alleen liefdevol begrip toegestaan is.

Het is een houding van machteloosheid, maar van reddende machteloosheid. Zij schept een ruimte waarin misschien de liefde zegeviert of het toeval alles ten goede keert. Maar misschien is het toeval niets anders dan een genadig gevolg van de liefde. Niets doen, slechts met liefde toezien, het is de houding van Christus tegenover zijn rechters. Het is de houding waarmee Graham Greene het dilemma van de katholieke romanschrijver heeft opgelost. De houding waarin de kunstenaar een gelovige kan zijn en de gelovige kunstenaar.'

Vervolgens praten we een tijdje langs elkaar heen, omdat ik als ongelovige die particuliere inzichten over geloof tijdens het schrijven niet doorgrond. Vonne van der Meer parafraseert wat haar in bovenstaand citaat aanspreekt: vrijheid is zien wat er gaande is en je er niet altijd direct mee willen bemoeien. 'Wat ik vooral heel erg mooi vind, is de passage over het toeval als genadig gevolg van de liefde.'

Ik op mijn beurt zie niet hoe ik toeval als 'genadig gevolg van liefde' - klinkt mooi, maar wat is dat? - kan opvatten. En hoezo keert het toeval alles ten goede? Kan het toeval soms niet ongunstig uitpakken?

Wat betekent het toeval voor je?

'Ik moest denken aan die Duitse soldaat in Zondagavond die tegen de Duitse politie zegt dat er buiten de trein geschoten wordt. Hij staat op het perron, ziet een doodsbange jongen en een baby'tje en hij weet onmiddellijk: die horen bij elkaar. De jongen is door paniek bevangen en is bezig zijn koeriersmissie te verknallen. Hij moet dat Joodse baby'tje tenslotte naar een onderduikadres brengen. Maar die Duitse soldaat denkt: die twee moeten weg, uit handen van de politie. Hij creëert toeval door te zeggen: er wordt geschoten, weg! Dat is een genadig gevolg van liefde.

En als schrijver sta je als Christus tegenover zijn rechters?

'Ik denk eerder dat de verhouding schrijver-personage de directe afspiegeling is van de verhouding God-mens. Ik ontken niet dat ik de schepper van mijn personages ben, maar ik moet ze vrijlaten. Ik kan ze wel zo nu en dan een aanraking of influistering geven, een stem die tegenwicht biedt. Het is als met je kinderen, je schept omstandigheden, je helpt ze, maar uiteindelijk moeten zij toe met het leven dat je ze gegeven hebt.'

Grappig genoeg, zeker met de echo van bovenstaande woorden nog in het oor, is Zondagavond een bepaald onleerstellige roman. Met de onderliggende gedachte: van belang is dat mensen met elkaar omgaan, een gemeenschap vormen, hoe nietig ook. En van welke denominatie je ook bent, het rituele toedienen van de laatste sacramenten bij de bejaarde weduwnaar Robert Blauwhuis vormt een ronduit aangrijpende scène.

De schrijfster: 'Ik ben wat beurs gevraagd over het geloof. Ik weet ook niet alles, de ene dag begrijp ik beter waarom ik in de kerk zit dan de andere. Het is wankelmoediger dan men graag aan wil nemen. Maar het verlangen van Robert naar overgave, het mysterie, het ondergaan van de sacramenten, vind ik heel belangrijk - dat moest erin.'

Goede verpleegster

Zondagavond is haar veertiende boek sinds ze in 1985 met Het limonadegevoel en andere verhalen ingetogen debuteerde. Nu staan haar boeken op de bestsellerlijsten, worden ze vertaald, verfilmd.

Wat doet zulk succes met je?

Eerst relativeert ze, want het zijn vooral haar 'eiland'-boeken die torenhoge oplagen hebben. En hoe groot is succes in ons kleine taalgebied? Maar dan: 'Het is heerlijk als je niet meer hoeft uit te leggen wat je doet. Vroeger bij het voorstellen zeiden mensen: ik heb nog nóóit wat van je gelezen. En dat is nu anders.'

Maar nu zeggen ze: wanneer komt je nieuwe boek?

'Je moet niet te veel plannen. In mijn agenda staat niks en dat is heerlijk. Heel lang heb ik gedacht aan een bijbaantje. Dan loop ik langs Albert Heijn en denk ik: misschien moet ik dat maar doen. Maar niet de Albert Heijn hier vlakbij, want dan ben ik de schrijfster achter de kassa. Ik heb mij ook wel eens aan bevriende regisseurs aangeboden en gezegd: als je nou een hele zware productie hebt en je hebt een moederlijke assistente nodig... Assistente, roepen ze dan, je hebt tien jaar geregisseerd. Ze willen mij helemaal niet, denken dat ik dominant ga zitten doen in de kleedkamer.
Uiteraard kom ik met lezingen onder de mensen, maar ik geef toe: er zijn maanden dat ik het werken met mensen mis. Maar net als ik op het punt sta in de krant te zoeken naar een baan, krijg ik weer een idee voor een boek. Het liefst zou ik ook een goede verpleegster zijn. Maar ik weet: op het moment dat ik een boek in mijn kop krijg, vergeet ik de patiënten hun pillen te brengen.'

Jeroen Vullings / 18 september 2009