Take 7

Vonne van der Meers nieuwe roman vertelt een parabel over illusies. De aan lager wal geraakte barkeeper Lars belandt toevallig in een vervallen dorpje in Andalusië waar ooit Lord Byron de modderbaden bezocht, maar waar nu niets meer over is van de oude grandeur. Omdat hij een tas bij zich heeft waarop het woord ‘Cinetotale’ staat, denken een paar dorpelingen dat hij een filmer is (Lars von Trier?). Hij besluit ze in de waan te laten, laat een stel vrienden oude en onbruikbare filmapparatuur op de kop tikken en gaat in het dorpje zogenaamd aan de slag. Men trapt erin: het hele dorp loopt uit, de oude huizen en hotels worden opgeknapt en de ene scène na de andere wordt ‘opgenomen’, waarbij Lars en zijn vrienden uiteraard de mond vol hebben met filmjargon. Dat levert scènes als deze op: ‘Silencio, por favor.’ ‘Camera?’ ‘Loopt.’ ‘Geluid?’ ‘Loopt.’ ‘Actie.’ Zou ik er ingetrapt zijn? Vermoedelijk wel. Dat heeft er ook mee te maken dat Van der Meer in deze kleine en warmbloedige roman alles op alles heeft gezet om haar plot geloofwaardig te krijgen. Neem nu het script dat die Lars zogenaamd wil verfilmen. Veel larmoyanter kan het niet, en dat is precies het punt: een man belandt in een geheimzinnig gebied waar iedereen eeuwig jong blijft. Uiteindelijk wil hij er weg, samen met een vrouw die hij daar heeft leren kennen. Ze wil niet mee, hoewel ze van de man houdt, hij tilt haar in zijn armen over de laatste bergpas. Dan ziet hij dat ze ineengeschrompeld is, ze is veranderd in een stokoud vrouwtje ‘dat op het punt staat haar laatste adem uit te blazen’. Het mooie is dat er wel ongeloofwaardiger scripts door beroemde filmmakers zijn verfilmd, dus in het dorp kijkt niemand hiervan op. Juist het pijnlijk ongeloofwaardige en sentimentele van dit verhaal komt op de dorpsbewoners als volstrekt authentiek over. Ja, die filmers, echte romantici!

Van der Meer weet heel goed dat het zo werkt met illusies: als je er maar ernstig bij blijft kijken en net doet alsof het allemaal erg mooi en diep menselijk is, dan trappen ze er wel in. En zo houdt ze haar roman mooi in de lucht. Tegelijkertijd zorgt ze ervoor dat je tijdens het lezen, of je nu wilt of niet, voortdurend moet denken aan de illusies waarop men in de amusementsindustrie keer op keer inspeelt. In dit boek is het een dorpje dat gekgemaakt wordt, bij ons op de televisie zijn het de bedenkers van programma ‘s als Idols of The X-factor die mensen keer op keer dezelfde dromen proberen op te dringen. Van der Meer expliciteert deze evidente parallel overigens niet, maar je weet dat ze het hierover wil hebben.

Ze maakt van die nepfilmers gelukkig geen cynische profiteurs, dat zou haar roman plat hebben geslagen, ze demonstreert dat deze figuren gedreven worden door dezelfde illusies die ze bij de dorpsbewoners oproepen. Aandacht krijgen, meedoen, zo lang mogelijk ergens in mogen geloven, belangrijk zijn. Ze laat de kern van haar boek fraai samenvatten door dorpsbewoonster Lydia, die de waarheid ontdekt: ‘Het kostte me moeite om te schakelen. Te beseffen: de megafoon is echt, de opnameleider niet. Er worden geen opnames gemaakt, we worden misleid. Take, shot, shooting, pan… sirenenzang waaraan niemand weerstand kan bieden.’ Verdomd, zo is het: sirenenzang, dat is het. En probeer er maar eens weerstand aan te bieden!

Tot nu toe schreef ik niets over de fraaie stijl waarmee deze schrijfster haar verhaal heeft weten te kleuren. Je merkt dat wel vaker bij boeken waar het verhaal al interessant genoeg is, je begint dan te vergeten dat het toch echt geschreven is door iemand die zorgvuldig naar de balans van de zinnen, de kleur en de stemmingen ervan heeft gekeken. Die besefte dat je niet al te opzichtig moet opereren als je echt iets te vertellen hebt. En dat heeft Vonne van der Meer: ze maakte haar stijl doelbewust ondergeschikt aan het verhaal, maar als je goed kijkt zie je hoe zorgvuldig ze heeft gewerkt en hoe ze al te zware clichés uit de traditie van de relatieroman uit de weg gaat. Ja, Lydia wordt verliefd op die filmer, je ziet het aankomen, maar net als je denkt dat het nu toch wel erg sentimenteel gaat worden, tovert Van der Meer een paar fraaie tegenbeelden te voorschijn. Ze laat dit personage allerlei dromen koesteren over een relatie met de filmer, maar als ze inziet dat het allemaal op niets berust, vertaalt de schrijfster dit niet in een cynische uitbarsting of een zelfmedelijdende huilbui, maar in een uitermate fraaie en intieme scène, waarin alle elementen uit het boek samenkomen. Ineens krijgt de roman een wonderlijk mooie kleur en diepgang. Van der Meer schreef een pijnlijke en mooie roman over illusies: als ik een filmer was, zou ik er een film van maken.

Kees 't Hart | De Groene Amsterdammer