De illusie die ons bindt

Vonne van der Meer laat een leugenaar een dorp gelukkig maken

Geloven is een zingevende activiteit. Dat lijkt de kern van Vonne van der Meers nieuwe roman. Maar in 'haar' dorp is meer aan de hand. Bedrog en drama krijgen een heel blijmoedig einde dat toch geloofwaardig is.

Wat doet een normaal mens als hij tussen de torenflats van Torremolinos is beland? Hij zoekt een auto om naar het binnenland te vluchten. En zo kan het gebeuren dat de Deense dertiger Lars, barman van beroep, het Spaanse dorpje Los Banos de Calderón binnenrijdt. Ooit een kuuroord, nu een plaats waar de inwoners de voornaamste uitspanning op empirische gronden aanduiden als Hotel Duivenpoep. Hij parkeert zijn auto bij de bloembak, slentert wat rond, fotografeert het een en ander. Tot hij staande wordt gehouden door de burgemeester, tevens hotelhouder. Er komt eten van. En tijdens die maaltijd begint Lars een beetje op te scheppen: hij zegt dat hij een bekend filmregisseur en -producer is. Dat maakt zoveel indruk dat de burgemeester na een tijdje vraagt of hij zijn volgende film niet in zijn dorpje wil opnemen. De infrastructuur is er geweldig.

Tot zover niets bijzonders in Take 7, de nieuwe roman van Vonne van der Meer. Hooguit vraag je je af waarom het weerzinwekkende Torremolinos en het vervallen dorpje in de heuvels zo clichématig tegenover elkaar worden gezet: aan de kust is alles nep, tot de borsten van de vrouwen toe, in het dorp is alles echt. Maar dan komt de eerste wending van Take 7: de jonge Deen zegt tegen de burgemeester dat hij inderdaad in het dorpje wil filmen.

Volgt een aantal komische scènes rond de besprekingen tussen regisseur en burgemeester, waarbij beiden er alles aan doen om de schijn op te houden. Lars koopt een lege agenda en schrijft die vol met fake-afspraken om de indruk te wekken dat hij werkelijk een internationale beroemdheid is. Bemardo, de burgemeester, laat een dorpsbewoonster opdraven om als zijn assistente - met laptop en blote benen - de gesprekken bij te wonen. Die vrouw is de Nederlandse weduwe Lydia, die vanaf het begin diepe gevoelens heeft opgevat voor de twintig jaar jongere Lars. Zij is ook de verteller in Take 7, die haar verhaal doet op het moment dat haar het bedrog van de Deen allang duidelijk is geworden.

De dubbele opschepperij van de twee mannen is niet alleen vermakelijk, het maakt ook duidelijk waar het Van der Meer in deze roman om te doen is. Dat is niet het verdere verloop van het filmproject, dat uiteindelijk plaats heeft met de bewoners van Lars' studentenhuis als namaakcrew, kapotte camera's, filmblikken vol zand en een 'hoofdrol' voor het mooiste meisje van het dorp.

Nee, waar het in Take 7 om gaat is het diepe verlangen om te geloven. Bij de twee onderhandelende mannen, die vastberaden lijken te zijn om te geloven dat ze iets voor elkaar kunnen betekenen. Op dezelfde wijze wil de Nederlandse vrouw Lydia graag geloven dat haar Deen een groot talent is. Alle tekenen van het tegendeel worden weggewuifd. Als Lydia bijvoorbeeld constateert dat het script van haar held nogal vlak is - zeker voordat zij zich met de inhoud heeft bemoeid - heeft dat geen enkel gevolg voor haar geloof in hem. Haar illusie is onaantastbaar.

Voor de lezer wordt het genie van Lars nog verder gerelativeerd omdat vanaf het begin al duidelijk is dat zijn 'script' gebaseerd is op een film die hij zich herinnert. Dat deze Lars zich in verschillende opzichten modelleert naar de Deense sterregisseur Lars von Trier, laat Van der Meer zien in speelse terzijdes als dat over 'een sms'je van Nicole Kidman [hoofdrolspeelster in Von Triers Dogville,] dat nog in het scherm van zijn telefoon stond'.

Je zou Take 7 kunnen wegzetten als een wat platte verdediging van geloven als zingevende activiteit, als een literair vormgegeven aansporing tot religie: wie durft te geloven, wordt vanzelf gelukkig. Daarmee zou de roman echter tekort worden gedaan. Want wat Van der Meer beschrijft is niet zozeer geloof (in wie of wat dan ook) als weg naar persoonlijk geluk of persoonlijke verlossing, maar geloof als sociaal bindmiddel. Met veel gevoel laat ze het grote drama van het vervallen dorp zien: er zijn te weinig sterke jonge mannen om aan de vooravond van Pasen een processie te vormen en het plaatselijke Chrisrusbeeld door de straten te dragen.
Want wat de karakters in Take 7 zo gelukkig maakt is niet hun eigen geloof, maar de gedachte dat ze geloofd worden. Dat geldt voor Lars, die ineens geen loser meer is maar een man die een heel dorp in beweging kan zetten. Het geldt voor de dorpelingen, die het achterstallig onderhoud aan hun huizen (en zichzelf) ter hand nemen. En het geldt zeker voor Lydia, die zich ineens weer een vrouw voelt, compleet met aanvallen van jaloezie op de mooie jonge meisjes.
Die moraal maakt het slot van Take 7 aan de'zoete kant. Zoals de blinde, cynische dorpelinge Loreta zegt na het vertrek van de filmmaker, in wiens stem zij vanaf de eerste seconde het bedrog hoorde: 'Ik dacht dat hij alleen maar dood en verderf kwam zaaien, maar ik heb me vergist.'

Dat de roman ondanks die wel erg blijmoedige afloop overeind blijft, heeft alles te maken met het vakmanschap van Vonne van der Meer. Zij is erg goed op dreef in het neerzetten van het ongemak dat vooraf gaat aan de verlossing. Neem de even pijniüke als treffende zinnen waarmee de Nederlandse Lydia wordt geïntroduceerd: 'Ik ben nooit moeder geworden, maar toen' ik ophield met bloeden kreeg ik een buik... Juist nu, nu ik nooit meer een kind zal krijgen, wordt er nogal eens verbaasd naar mijn bekken gestaard: het zal toch niet, op haar leeftijd?' Zo schrijft Van der Meer het hele boek door: ogenschijnlijk losjes, op lichte toon, maar scherp observerend en met oog voor detail.
Bovendien brengt ze voldoende lagen aan om ook haar eigen moraal weer te ondergraven. Het sterkste Voorbeeld daarvan schuilt in een tussenzinnetje waarin Lydia zegt dat zij het verhaal van Lars heeft gereconstrueerd op basis van zijn agenda en 'wat ik over hem heb gefantaseerd'. Nooit wordt duidelijk waar die fantasie begint en ophoudt, hoeveel van de renaissance van het dorp Los Banos de Calderón alleen heeft plaatsgehad in het hoofd van de vertelster. Daarmee maakt Van der Meer het geloof in elkaar dat de karakters van haar boek zo zoetjes omhoog stuwt, toch weer ondergeschikt aan een veel individueler geloof: dat in de scheppingskracht van het woord.

Arjen Fortuin | NRC Handelsblad