TO DIE OR NOT TO DIE

Laat u niet afschrikken door het gekke in hem, schreef men vroeger als flaptekst op de verhalenbundels van Belcampo. Een van de, letterlijk, fantastische verhalen die hij schreef, in 1968, ging over een bedrijf, Elysium genaamd, dat zich erop toelegde iemands zelfgekozen dood te regelen in ruil voor de erfenis. Je tekende een contract, zocht een kist uit en bepaalde hoe je dood wilde gaan. De hoofdfiguur in dat verhaal, de steenrijke Eugène, kiest voor het verrassingspakket, oftewel 'de surprise': hoe, waar en wanneer het gaat gebeuren is onduidelijk, maar is eenmaal het contract ondertekend, dan is de dood onvermijdelijk

Ik moest aan Belcampo's verhaal De Surprise denken - dit jaar ook de inspiratiebron voor de gelijknamige speelfilm van Mike van Diem - toen ik de nieuwe roman las van Vonne van der Meer. Niet dat zij voortborduurt op dit verhaal, maar de wereld die ze schetst in haar toekomstroman vertoont wel wat overeenkomsten met de fantasie van toentertijd van Belcampo. Alleen is de absurditeit van het een en ander niet meer zo groot. Zelfs helemaal niet eigenijk. Vorige week nog opende het NRC met het bericht dat er pogingen worden ondernomen om de 'laatstewilpil' in Nederland legaal beschikbaar te maken. Mensen die hun leven voltooid achten zouden die pil moeten kunnen krijgen; alles in de poging van de ouder wordende mondige babyboomgeneratie om de regisseur van het eigen levenseinde te kunnen worden.

In Winter in Gloster Huis voert Vonne van der Meer twee van die regisseurs op, de broers Richard en Arthur. een onverwachte erfenis van hun vader doet in Richard het verlangen ontvlammen een 'vaarwelhotel' te beginnen, een plek waar mensen gracefully hun einde tegemoet kunnen gaan, en wel binnen twaalf uur. Een mooie besteding van het geld van zijn vader, die de laatste jaren van zijn leven in eenzame krakkemikkigheid uitzat.. Zo legt hij het uit aan zijn sceptische broer, die zich afvraagt hoe Richard zo zeker weet wat er in hun vaders hoofd omging. 'Ik ben geen huurmoordenaar', verdedigt deze zich. 'Ik gun mensen allen de uitweg die ik zelf ook wil hebben als ik oud ben en der dagen zat.'

De onbestemde wrevel van Arthur krijgt een gearticuleerde vorm dankzij Shakespeare. Samen met zijn vrouw gaat hij naar een uitvioering van Koning Lear en ziet hoe de oude, blind geworden Gloster door zijn zoon in feite wordt weerhouden van zelfmoord. Door de woorden waarmee Gloster zijn eigen hovaardigheid benoemt - "Voortaan zal ik ellende verdragen tot zij zelf uitroept: "Genoeg! Genoeg en sterf!"' - weet Arthur wat zijn missie zal worden: 'Wij moesten het geduld opbrengen dat de zelfmoordenaar niet meer had.' Tegenover het Vaarwelhotel van zijn broer, aan de andere kant van het meer, plaatst hij het Gloster Huis, het huis waar iemand die dood wil op zijn schreden kan terug keren.

Winter in Glosterhuis is een elegante, diepzinnige vertelling over leven dn dood, die een van de meest urgente kwesties van deze tijd - hoe om te gaan met het feit dat we almaar ouder worden - op een prikkelende manier concreet maakt. Kun je ooit voor een ander uitmaken wat wat een levenswaardig leven is? Kun je het voor jezelf uitmaken? Bestaat er wel zoiets als gracefully oud worden, en mag je dat willen afdwingen? Hoe erg is het om hulpbehoevend te worden? Hoe erg is het om voor een ander te zorgen?

Het zijn vragen die onder de gesprekken tussen de twee broers mee zwemmen, alles bezien vanuit de immer twijfelende Arthur die de ambities van zijn broer wantrouwt. 'Mijn oplaaiende achterdocht verbaasde me, verontustte me zelfs, want achterdocht is soms een teken van naderende neerslachtigheid.' Ondertussen speelt Van der Meer het klaar om vanuit het perspectief van iemand die dacht te gaan sterven het leven als nieuw waar te nemen. De schrijfster heeft hier onderhand een reputatie mee hoog te houden, om haar personages het onverwachte uiteindelijk te doen omhelzen. In Winter in Gloster Huis doet ze dit lichtvoetiger en geestiger dan ooit, zoals ze Noor na ontwaken laat denken dat dit dan de hemel moet zijn. Geen harp spelende baby op een wolk, maar een waslijn met wapperende lakens. En een nachtkastje met daarop de bekende attributen: de bril, de stok, de tanden. 'Gestorven in het hotel en ergens anders opgestaan met al haar gebreken. (...) Het zou toch niet zo zijn dat die hele roestige machinerie zich na verloop van tijd weer in beweging zette?'

Nou ja, dus wel, laat Vonne van der Meer zien in een optimistisch visioen, waarin Arthur als de spiegelbeeldige veerman met potentiële spijtoptanten aan boord heen en weer vaart tussen het Vaarwelhotel en het Gloster Huis.

De Groene Amsterdammer / door Marja Pruis