Paasspot- Nieuwe Koers april 2024

Een herinnering van eind jaren zestig. Mijn ouders zijn naar een feest geweest en rond middernacht komt mijn moeder me een nachtzoen geven. Die avond is ze overstuur. Op het feest liep een als non verklede vrouw rond, in vol ornaat; lange zwarte habijt, witte kap. Ter hoogte van haar buik zat een uitsparing die een doorzichtige plastic bol omlijste waarin een naakte babypop dreef.

Ik wist hoe onverzoenlijk mijn van haar geloof gevallen moeder tegenover nonnen stond, maar dit vond ze te ver gaan. Ze was op haar ziel getrapt, en niet namens haar overleden voorouders of die ene non die ze wél graag mocht. De voet stond op de ziel van het kind dat ze was toen ze nog kon bidden.

In gesprekken over de woedende reacties op cartoons als die van Kurt Westergaard (Mohammed met een bom die tegelijk een tulband is) heb ik deze herinnering niet altijd paraat. Al snel begin ik over de doornenkroon en over de beschimpingen tijdens de kruisweg. Ik hoor mezelf zeggen dat hoon in het christendom is meegeweven, Christenen zijn niet zo snel geschokt.

Maar op eerste Paasdag een paar jaar terug was ik ook, zeg maar gerust, diep gekwetst. Ik had er vier dagen van kerkgang op zitten, Pasiger kon ik me niet voelen toen ik met een Tupperware met de haringsalade van mijn man die te ziek was om me te vergezellen, rechtstreeks van de kerk naar vrienden fietste. De salade zou ik daar in een kom overscheppen om hem traditiegetrouw te garneren met een kruis van augurken, omkranst door zilveruitjes. Bij die vrienden zou ik zoals elk jaar hun vrienden terugzien. Geen van hen noemt zichzelf gelovig, maar het heeft dit gezelschap nooit weerhouden ons aan hun paastafel te verwelkomen en ons niet om aan te schuiven.

Roken ze dat ik die dag een makkelijke prooi was? Een man vroeg zich na zijn begroetingsrondje hardop af waarom we uitgerekend vandaag bij elkaar kwamen. Grinnikend gaf hij zelf het antwoord: O ja, Pasen. Het ene moment hangt-ie nog aan het kruis, het volgende is-ie er alweer af, in het graf en huppakee er weer uit. Ik dook weg. Later, aan de lange met voorjaarsbloemen versierde tafel, stelde iemand de vraag wat de betekenis van Pasen nu eigenlijk was, in deze tijd, voor ons. Ze wilde niet ontkennen dat Jezus vast een goed mens was geweest, een voorbeeld qua naastenliefde en zo, maar de zoon van God? En dan die wonderen, wandelen over het water – een kind van zes snapt al dat dit niet kan, tenzij het eb is. Een andere duit in een meewarig zakje: Tja, het christendom (veelbetekenende stilte) we weten allemaal wat dát de wereld gebracht heeft.

Er kwam geen verstandig, laat staan inspirerend woord over mijn lippen. Ik voelde me van alle kanten aangevallen. Hoezo? De meesten wisten niet eens dat ik katholiek was. Het drong niet echt tot me door dat de gastvrouw me een vraag stelde over Judas. Een serieuze, onbevooroordeelde vraag en ze was ook oprecht benieuwd naar mijn antwoord. Vaag herinnerde ik me dat er kortgeleden een toneelvoorstelling aan de apostel Judas was gewijd, en ik groef in mijn geheugen wat ik erover gelezen had. Tevergeefs, steeds dieper hing ik over mijn bordje haringsalade, o lief, was jij maar hier.

Op de terugweg bedacht ik wat ik had willen zeggen. Courage sûr bicyclette: ‘Jullie snappen het niet. Het gaat om een verhouding. Met iemand. Jullie schijnen te denken dat je me er met de juiste argumenten van af kunt praten, van dat achterhaalde geloof, maar je verlangt toch ook niet dat ik de man afval die de haringsalade gemaakt heeft – goed gelukt hè, ik zal het doorgeven.’

Pas toen ik thuis verslag van de middag deed begon het me te dagen: het lag niet aan hun twijfel maar aan de mijne. Ik was die ochtend teleurgesteld uit de mis gekomen, erger dan ik wilde toegeven. Het was een Hoogmis geweest met een Eurovisie aureool, onze mis werd in heel Europa uitgezonden. Camera’s, felle lampen. Toen ik te communie ging struikelde ik net niet over een kabel; er vielen amper stiltes. De man die de voorbeden las werd vanachter een pilaar door de regisseur aangemaand tempo, tempo te maken. In die haastje-repje mis was het me niet geworden: Wie er uit het graf was verrezen en waarom, voor wie?

Ik had mijn tafelgenoten over de mislukte mis moeten vertellen. Uitleggen waarom ik geen verweer had tegen hun scepsis of, als ik dat niet opbracht, twee augurken uit de haringsalade in mijn oren moeten stoppen. Want hoe gammeler de liefde, des te groter de kans gekrenkt te worden.