Vier artikelen voor de Volkskrant, eind jaren ’90

De Pasen van Afrika

‘Missionarissen, bestaan die nog?’, kreeg schrijfster Vonne van der Meer te horen toen ze haar omgeving meedeelde dat ze naar Kameroen zou gaan om over de missie te schrijven. Sinds ze een documentaire zag over een non die in een opvanghuis voor verslaafde prostituees werkt, wil Vonne van der Meer weten wat geloof in mensen kan bewerkstelligen.

‘Gods spoor loopt door het oerwoud van Afrika en wie daar naartoe gaat als missionaris om aan de pygmeeën de ene, ware God te brengen die komt te laat. Hij is er al. Toch wordt het hoog tijd dat die missionaris eindelijk naar de pygmeeën gaat…’ schreef pater Paul Cuypers in 1987 aan vrienden en familie.

Omdat ik maar geen antwoord kreeg op mijn verzoek of ik naar Kameroen kon komen om met hem te praten, begon ik me in de orde te verdiepen waartoe hij behoort. ‘Ga naar de meest verlatene’, was de opdracht die oprichter Libermann zijn missionarissen meegaf. Wat zijn dat voor mensen die alles opgeven om naar de meest verlatene te gaan? ‘Missionarissen’, vroeg iemand me, ‘bestaan die nog? Laat die mensen toch met hun fetisjen en amuletten. Geloof, bijgeloof, wat maakt het uit.’

Het wachten duurde lang en ik begon mezelf af te vragen waarom ik ook weer aan deze onderneming was begonnen. Een paar jaar geleden zag ik een documentaire over een non, die een opvanghuis voor verslaafde prostituees leidt. Ze werkte vooral ’s nachts, in haar eentje. Op het moment dat ik dacht: hoe houdt ze het vol, gleed de camera naar rechts, naar het kruis aan de muur. Wat geloof in mensen kan bewerkstelligen – dat is wat ik sinds die dag wil weten.

Toen ik na een dag vliegen in de hoofdstad Yaoundé landde, was ik net iemand uit een contactadvertentie. Ik keek uit naar een ongeveer zestigjarige man, die op de foto een alpinopet droeg, en om zijn linkerarm een verband had. De man naar wie ik uiteindelijk begon te zwaaien droeg helemaal geen alpino, maar keek net zo gespannen als ik naar de overkant. Dat moest hem zijn. Ik had zijn brief nog net op tijd ontvangen maar zijn vragen niet meer kunnen beantwoorden. We wisten weinig van elkaar af, maar zouden een maand samen optrekken.

Toen we elkaar de hand schudden, beseften we allebei dat we niet meer terug konden. ‘Waarom ik?’, vraagt hij meteen de volgende ochtend in de tuin van ons logeeradres in Yaoundé. Hij reageert beduusd als ik hem zeg dat hij me van wel drie kanten is aangeraden: wie waren dat dan? Ik herinner hem eraan wat hij zoal tot stand heeft gebracht. Wat ik ook noem, het is allemaal niet zijn verdienste, hij is alleen maar doorgegaan op het spoor van Soeur Stella, Pater Ben en Jan, en natuurlijk Libermann. Maar nu ik er ben, wil hij me graag uitleggen waarom het hoog tijd werd dat er een missionaris naar de pygmeeën ging. Als het maar niet zo’n melancholiek verhaal wordt over voorbije tijden. Ik moet beslist ook een stadsparochie zien, die helemaal door Afrikanen wordt bemand. We kunnen pas over een week naar zijn missiepost in het oerwoud bij Lomié, het wachten is op een auto met betere banden. Iedere keer wanneer hij me aan iemand voorstelt, kijkt hij alsof hij me te slim af is. Hij weet zeker dat hij niet de hoofdpersoon wordt van mijn verhaal. Op sommige vragen krijg ik meteen antwoord, op andere pas tijdens het schrijven.

 

Waarom wilde hij priester worden? Hij noemt het geen roeping, want dan zou het net zijn alsof hij een stem had gehoord. Hij noemt het een besef, het besef was er in ieder geval al op zijn zevende, toen hij zijn eerste communie deed. Al vrij snel wist hij ook dat hij missionaris wilde worden. Dat kwam door Strous, die tijdens zijn verlof altijd een paar maanden in Neer logeerde, zijn geboortedorp in de buurt van Venlo. Wat die Strous dan wel had? vraag ik. ‘Tja… een uitstraling, iets vrolijks. En hij was veel minder mijnherig dan alle priesters die ik kende. Weet jij dan altijd precies wat iemand zo bijzonder maakt?’ ‘Ja’, zeg ik beslist.

Nu ik Père Paul wil beschrijven, begrijp ik zijn probleem. Een veertje is moeilijker te vangen dan een steen. Hij heeft iets neuriënds. Hij loopt licht, preekt licht, en praat met een Limburgse g. Ook hij is allerminst mijnherig. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo weinig bezit. Op de verlatene na. Hij draagt meestal kapotte kleren die, toen hij ze kreeg, nog heel maar al tweedehands waren. Hij vergeet dat kleren wel eens gewassen moeten worden, en hij ruikt soms een beetje naar Artis. Naar de kuil met jonge beren. Ik zeg met opzet ‘jonge’, want hij kamt het kransje haar dat hij nog heeft nooit, en ’s ochtends vroeg als hij de mis leest, staat het pluizig overeind. Maar helemaal onijdel is hij ook niet, want voor de foto wil hij een schoon T-shirt aan.

We vertrekken uit Yaoundé in de auto die we een week geleden ook hadden kunnen nemen. Even denk ik dat Père Paul dat van die betere banden maar verzonnen heeft, opdat ik zoveel mogelijk mensen kon ontmoeten. Bisschop Zoa ontmoette ik bij toeval, maar dat hij Zoa heet kan geen toeval zijn. Zoa betekent olifant in het Ewondo. Imposant, groot, zwart, kwam hij in een lange witte toog, met paarse cape de refter binnenzeilen. Toen hij hoorde dat ik in Kameroen was om over missie te schrijven, zei hij: ‘Ik houd van mensen die vragen stellen.’ Hij zei het nog eens: ‘Door de vragen die mensen stellen, weet ik wat er leeft.’

Ik had nog geen enkele vraag gesteld. Ik had alleen maar ongelegen gedachten: hoezeer hij op Sinterklaas leek Op Sinterklaas en Zwarte Piet in één persoon, en hoe ongepast en stupide het was dat ik alleen maar zo naar hem kon kijken. Hij dacht dat ik verlegen was, en stelde voor dat ik hem aan het eind van mijn reis zou opzoeken. Dan wist ik vast wel wat ik hem te vragen had.

Wanneer we Yaoundé verlaten, rijden we onder spandoeken door die de komst van een Duitse gebedsgenezer aankondigen. Blinkend wit, met kloeke letters en data. Ze stralen alles uit wat Yaoundé niet is. Precisie, properheid. Het asfalt waarboven de gebedsgenezer zweeft, zit als een Zwitserse kaas zo vol gaten. De rafelrand van de weg loopt over in een riool, waarlangs een dijk van vuil ligt. Een vrouw stapt er overheen, bukt zich om met een roze wc-papiertje de neuzen van haar hoge hakken op te poetsen. Niemand heeft me kunnen vertellen wanneer het vuilnis voor het laatst is weggehaald. De Duitser is niet de enige die Yaoundé wil genezen. Langs de weg, tussen kraampje waar flessen nootjes verkocht worden en ’s avonds stokjes vlees, zo van de houtskool, staan evangelische reclameborden. Volgens de statistieken wordt Afrika alleen maar katholieker, maar in Yaoundé is dat niet te zien.
Ook met Adèle en Agathe, die wel zusters zijn maar geen nonnen, kwam het gesprek al gauw op geloof. Dat kwam niet door mij of Père Paul, maar door dit land. Iedereen is hier gelovig, al is vaak niet duidelijk waarin geloofd wordt, in God of de achterbuurvrouw. Adèle heeft recht van spreken, zij is zelf ooit bij een genezer geweest. Ze was al jaren ziek, geen dokter wist wat haar mankeerde, toen haar vader besloot haar mee te nemen naar een medicijnman in zijn geboortedorp. Ze is er genezen vandaan gekomen, en laat het nu voor wat het is. Voor haar kan het heel goed samengaan: de polikliniek om de hoek en de traditionele medicijnman. Maar dat dagelijks meer mensen hun toevlucht nemen tot ‘sorcellerie’, tot tovenarij, verontrust haar toch.
‘Iemand gaat nooit gewoon dood aan een ziekte, nee, hij staat onder invloed van boze geesten. Het is altijd iemands schuld.’ Ze legt ons uit waar zij de grens trekt. De kruiden op het boodschappenlijstje van de medicijnman herkent ze, maar in de toverzak van de mensen die zich daarvoor uitgeven, zitten haren, grote spijkers, darmen. Traditionele medicijnmannen vragen nooit geld, zij hebben hun gave ook maar gekregen, maar de charlatans maken je zoveel mogelijk geld afhandig.
‘Vroeger had je in ieder dorp een Mbombog, “un gardien de la tradition”, die hield de genezers in de gaten. De kerk heeft in het begin alles wat ze aan onbekende rituelen tegenkwam op een hoop geveegd. Afgedaan als “duivels”. Daardoor is magie een ondergronds leven gaan leiden, waar niemand meer greep op had. Ook de Mbombog niet.

Het is altijd blijven bestaan, maar nu het slecht gaat met het land, steekt het in alle hevigheid de kop op.’
Père Paul heeft zelf nooit gezien dat missionarissen amuletten en voorouderbeelden naar een hut lieten brengen, die ze vervolgens in brand staken. Hij vermoedt dat het iets is van de eerste generatie missionarissen. Zelf is hij achtentwintig jaar geleden met een andere houding naar Afrika gekomen. Dat kwam niet alleen doordat hij begin jaren zestig in Amsterdam antropologie en geologie studeerde. Hij ging naar Afrika met Libermann in zijn hoofd.
In 1847 toen Frankrijk de slavernij nog moest afschaffen, schreef Libermann, oprichter van de Congregatie van de Heilige Geest: ‘Faites-vous nègres avec les nègres…’ Missionarissen mochten zich van Libermann nooit als heersers opstellen, maar moesten dienaren zijn. In de leer gaan bij de bevolking. ‘Uitverkoren om te dienen’ was de spreuk die Paul Cuypers in 1960 voor zijn priesterwijding had uitgekozen. Wat dat inhield – leerling zijn – merkte hij pas toen hij in Afrika aankwam.

Pygmeeën zonder bos

 Tijdens de lange autorit naar Lomié vertelt hij me hoe hij daar terecht is gekomen. Eerst
zat hij in Bafia, waar hij door zuster Thecla naar toe was gehaald. Zij wilde niet langer vanuit een missiepost opereren, want dat vond ze vaak ‘net forten’. Samen met twee leken-missionarissen betrokken ze een huis in het dorp. Op een gegeven moment gaven de cacao-boeren van Bafia te kennen dat ze een coöperatie wilden oprichten. Of de missie hen daarbij wilde helpen. Toen had hij wel geaarzeld. Wat wisten ze van onderhandelen over cacaoprijzen, van het zakenleven? Ze hielden het negen jaar vol.
In ’84 besloot de regering alle ondernemingen te nationaliseren. De vrachtwagen van de coöperatie werd in beslag genomen, en ook het spaargeld op de bank. In een klap waren ze alles kwijt. Niet lang daarna stierf zuster Thecla. Hij had zeventien jaar met haar samengewerkt. Zijn overste begreep hoe zwaar hij het had, en stelde hem voor op reis te gaan. Hij begon aan wat hij steeds zijn Abrahamstocht noemt: hij ging op reis, niet wetend wat God met hem voorhad.

Hij onderbreekt zichzelf alleen als er weer ‘een lijkwagen’ voorbijkomt, een oplegger niet vijf, zes gevelde woudreuzen. Ze liggen als Gullivers met ijzeren kettingen op de vrachtwagen vastgesnoerd, maar je hoeft niet angstig aangelegd te zijn om voor je te zien wat er mis kan gaan. Iedere keer wanneer er weer een is gepasseerd, hangt het rode stof nog minutenlang om onze auto. De bladeren van de bomen langs de weg zijn roestrood, helemaal tot in hun kruinen. Het lijkt wel herfst, een Indian Summer.
Het overwegend islamitische noorden trok hem, maar zijn eerste indruk van de Borro’s was toch dat die hem niet nodig hadden. Libermann had geschreven: ‘Ga naar de meest verlatene…’ De Borro’s leken hem welvarende veeboeren, niet echt de meest verlatene.

Tijdens zijn Abrahamstocht logeerde hij op een missiepost, waar recht tegenover zijn bed een poster hing. Een poster van een pygmee, op een open plek in het bos, een man in rafels. Toen hij in Lomié aankwam, was de eerste die hij zag een pygmee, alleen, op een brug. Niet de man van de poster, maar iemand die er sterk op leek. Hij moest denken aan wat Paulus
overkwam bij Troas: Paulus kreeg ‘een gezicht’, zag een Macedonische man, die hem toeriep: Steek over naar Macedonië en help ons. ‘Deze pygmee zei niets, en wenkte ook niet,
maar keek me wel aan zo van: Ah, daar ben je dan…’

Toen bij voor het eerst met de Baka-pygmeeën in aanraking kwam, had hij het gevoel thuis te komen. ‘Er is niets in het evangelie dat niet aansluit op hun samenleving. Ze kunnen samenwerken, zijn behulpzaam, en wat hier uitzonderlijk is: monogaam.’ De Baka’s kennen
één God, Komba. Het ergste wat je Hem kunt aandoen, is al te erg kletsen, of ander lawaai maken, waardoor Hij de bijen niet meer hoort.

De bijen zijn Komba’s liefste schepselen, maar iedere keer wanneer ik Père Paul over de Baka’s zal horen praten, denk ik: die komen meteen daarna. ‘Ze leven vanuit de gedachte dat er een verbond bestaat tussen God en mens. Ik vroeg een keer aan een Baka-vrouw: “Wat is dat nou toch dood, de dood?” Toen zei ze: “Dat is thuiskomen bij je vader.”
De Baka’s zeggen ook dat de eerste blik van het kind na de geboorte niet voor zijn ouders is, maar voor Komba. Het kind kijkt naar Komba, en Komba naar het kind, en dan wordt het mens.’

Maar heeft hij niet vaak geaarzeld of hij daar, als katholiek of als antropoloog, nog wel iets aan toe te voegen heeft?‘

Daar voeg ik ook niets aan toe. Komba kijkt naar het kind, en dan wordt het mens… Dan ga ik niet zeggen: maar was dat niet bij de conceptie al zo?’

Maar de samenleving die hij ‘zo gezond als een vis’ noemt, was toen hij tien jaar geleden kwam, al aan het veranderen. Anderhalf uur voor Lomié, wijst hij me de eerste Baka-dorpen aan. De pygmeeën wonen net als hun buren, de bantoes, in lemen hutten van dezelfde roestrode kleur als de aarde. Hier ligt langs de kant van de weg geen dijk van vuil, zoals in Yaoundé. De mensen hebben weinig, dus ook weinig om weg te gooien. Op de heenweg zie ik vooral wat er niet is, op de terugweg, drie weken later, wat er allemaal wel is: voor iedere hut een vuur met een grote pan eten erop. Een vrouw hangt een laken op, legt een schuimrubber matras te drogen in de zon. De meisjes hebben zelden hele kleren aan, maar wel vaak geraffineerde kapsels waar ze uren aan werken, en sieraden van touw en takjes.

Sinds de onafhankelijkheid in 1960 zijn de Baka’s gedwongen langs de weg te wonen. Dat vond de regering overzichtelijker. Voor die tijd woonden ze in de regenwouden, ze hebben er duizenden jaren kunnen overleven. Eerst werkten de Baka’s uitsluitend voor de bantoes, in ruil voor wat maniok of een lap stof. Tegenwoordig werken ze samen in het landbouwproject Loti, achter de missie. Hij vindt het overdreven om de Baka’s de slaven van de bantoes te noemen, maar dat ze nu voor hetzelfde werk evenveel verdienen, betekent veel voor ze.

Toch verdwijnen de Baka’s van tijd tot tijd voor een paar weken het bos in, om te jagen en om krachten op te doen. Het leven langs de weg is stoffig en ongezond, ze zijn er nog altijd niet aan gewend. Maar voorgoed terug het bos in willen ze ook niet, want het bos is ook niet meer wat het was. Alleen al rondom Lomié zijn zeven verschillende houtexploitanten aan het werk. De laatste jaren hebben ze het vooral op de moabi voorzien, en juist die boom is voor de Baka’s zo belangrijk. Uit de pitten van de vruchten persen ze olie om mee te koken.

‘De houtexploitanten hebben het bos opengegooid. Over de wegen die zij dwars door de bossen heen aanleggen, kan nu iedereen het bos in, stropers, boeren. Zwervende landbouw had je vroeger vooral langs de rand van het bos, maar nu rukt het steeds verder op, dieper het bos in. Een Baka zei laatst: “Door al die nieuwe wegen, raak je steeds de weg kwijt in het bos.”’ Als het bos van de Baka’s steeds dunner wordt, en het bos zo verbonden is met God, wordt God dan ook niet steeds dunner? Hij knikt: daarom was het hoog tijd dat er een missionaris naar de pygmeeën ging.

Wanneer we eindelijk op de missiepost aankomen, is het half zes, nog net licht. Links ligt op een heuvel een grote, rode ruwbakstenen kerk, rechts het woonhuis, een soort boerenhoeve. Op het erf lopen honden, kippen en ganzen.

Binnen, in de refter, blijkt de missiepoes in een kastje met religieuze tijdschriften een nest jongen te hebben geworpen. Ik ontmoet de anderen: de Pool, Père Wieslaw, de Kameroenees Père Daniël, en de stagiair, Alain. Ze zijn allemaal onder de veertig. Alleen Alain lijkt met zijn lange, zwartlinnen soutane op wat een leek zich bij een priester voorstelt.
Père Daniël is net terug van een dagenlange tournee, wat swingender klinkt dan het is. In missietaal betekent tournee: de ronde doen langs de dorpen van de parochie. Als hij me de hand schudt, heeft hij over zijn schouder een dood, grijs beest hangen. Ons avondeten. Of ik bij het villen aanwezig wil zijn? Ik weiger beleefd: het beest lijkt wel heel erg op Bobje, de hond van mijn beste vriendin in Naarden. Heel in de verte horen we gejammer, het komt steeds dichterbij. Ik loop naar het raam, en zie op de weg een man, de armen klagend geheven. ‘Waarschijnlijk is er een familielid van hem gestorven’, legt Père Paul uit, ‘hij gaat van huis tot huis.’ Even later is het plotseling donker, en wordt het gejammer overstemd door de generator. Ik verheug me nu al op de stilte straks.

Als de generator plotseling uitvalt, ben ik nog bezig naar bed te gaan. Op de tast kruip ik onder mijn klamboe. Ik dacht dat ik van stilte hield, en onverdunde duisternis. Nu vind ik dat ik wel erg ver van de anderen vandaan slaap, helemaal aan de andere kant van het huis. Ik luister naar de krekels, het gekrijs van beesten in het bos. Na maanden van voorbereiding ben ik eindelijk waar ik wil zijn, op een missiepost, in het oerwoud, ver weg. Zo ver weg dat mijn hart ervan gaat bonzen. Het is alsof ik in een diep, donker hol lig, waar een steen voor gerold wordt. Weer hoor ik klagelijk gejammer. Ergens tussen slapen en wakend liggen luisteren, bedenk ik dat ik Père Paul moet vragen of hij nooit bang is geweest in Afrika. ‘Ga naar de meest verlatene…’ Voelt een missionaris zich dan nooit een verlatene?

Een paar dagen later slaat het tijdens de zondagsmis, buiten, in een Baka-dorp, weer en nog heviger toe: wat doe ik hier? Ik weet niet hoe ik kijken moet, niet waarheen. Veel mensen hebben een heel, schoon kledingstuk aan, maar sommigen lopen ook vandaag in poetsdoeken.
Terwijl ik uit alle macht probeer niemand aan te staren, merk ik dat ik van top tot teen word opgenomen. De enige blik die ik begrijp, is die van de moeder van een albinobaby. Ze kijkt
naar mijn armen, bloot vanaf de ellebogen, naar mijn roodverbrande neus en schikt de doek om haar baby zo, dat zijn roze hoofdje met de witte krulletjes nog beter bedekt wordt. Aan de mis ligt het niet. De Bakameisjes zingen mooier dan ooit, hun eigen versie van Mattheus. ‘Bemin uw naaste, als uw huid.’ Het helpt niets. Ik bemin noch mijn naaste, noch
mijn huid.

Hij moet dit toch kennen? Hij kent het wel, maar ook niet. ‘Mijn eerste keer Afrika was Amsterdam.’ Aan het eind van zijn studie ging hij naar Port Harcourt, Nigeria. ‘Een Ier, die me daar wat onwennig zag rondlopen, vertelde me wat hij had ontdekt: dat van de driehonderd paters die daar zaten, slechts twee de taal van de streek spraken. Ik begreep meteen wat hij bedoelde. Waar je ook terechtkomt, je moet zo snel mogelijk de taal leren. Dat sloot naadloos aan bij wat ik van Libermann had geleerd: Zij zijn jullie leraren.’

En hij is nog steeds in de leer. Bij het bos en bij de Baka’s die alles van het bos weten. Tijdens zijn studie in Amsterdam had hij wel colleges bodemkunde gevolgd, maar pas toen hij herstellende was van een ziekte kon hij zich er echt in gaan verdiepen. Acht jaar geleden werd ontdekt dat hij kanker had in het bot van zijn linker onderarm. ‘Op het moment dat ik hoorde dat het op één plek zat, en dat het weggehaald kon worden, wist ik dat ik beter zou worden. Daar heb ik steeds op vertrouwd. “Laat je genezen, tot op het bot”, zei Benoît Standaert, een benedictijn met wie ik al heel lang bevriend ben.

Het verbaasde de artsen dat ik er mentaal zo goed doorheen kwam, maar dat was niet mijn verdienste. Ik heb toen voor het eerst van mijn leven gemerkt wat het betekent als mensen voor je bidden. Familie en vrienden natuurlijk, maar ook de mensen hier hebben voor me gebeden. Dat heeft me er doorheen gedragen. Zodra ik ook maar een beetje was aangesterkt, ben ik naar Wageningen gegaan om alle boeken op te vragen die met duurzame landbouw in het bos te maken hadden. Er kwamen meters titel uit.’
Hij kijkt niet op zijn ziekte terug als op iets dat hij beter had kunnen overslaan. ‘Zonder mijn ziekte had ik die kennis niet kunnen opdoen.’ Zijn linkerarm is half zo dik als de rechter en er zit een beschermend hoesje omheen. De hand doet niet echt goed meer mee, maar hij kan er een pit mee in de grond duwen, de wijn zegenen, en het brood.

Het landbouwgebied in het bos achter de missie is tien hectare groot, verschaft werk aan driehonderd mensen. Het kost hem uren me uit te leggen wat er geplant is en waarom juist daar. Het zal twintig jaar duren voor de jonge moabi-bomen vrucht dragen, vijftig jaar voor ze zo groot zijn als ze zijn, wanneer ze gekapt worden. Maar ze staan er, en ze doen het goed.

Soms, zeg ik hem, wordt er te romantisch over de pygmeeën gepraat. Als over Adam en Eva voor de zondeval. Dacht hij dan nooit, als hij de Baka’s in het bos aan het werk zag: ik houd mijn mond. Als het waar is wat hij zegt, dat alles aan normen en waarden al aanwezig was, waarom is hij dan over Christus begonnen? Met de bijbel gekomen? Was dat nodig? ‘Toch wel, denk ik. Hun godsbeeld is sterk verbonden met het bos en in het bos zijn ze alleen nog maar zo nu en dan. Buiten het bos doen zich nieuwe situaties voor, waar ze geen verweer tegen hebben. Zelf leefden ze altijd vanuit de gedachte dat er een verbond bestaat tussen God en de mens. Komba regeert het bos, en het bos gaf ze alles. Van de bantoes horen ze nu voor het eerst over boze geesten.
‘Laatst sprak ik een Bakajongen die erin navolging van zijn bantoebuurman een vrouw bij wilde nemen, iets dat in de Bakacultuur heel ongebruikelijk is. Hij kwam met het volgende argument: de schoonfamilie van mijn eerste vrouw heeft ons kind gedood door het te beheksen. Dus is het beter dat ik er een nieuwe vrouw bij neem. Zo’n jongen is er zich misschien niet eens van bewust dat hij een manier van denken overgenomen heeft, die niet uit zijn cultuur voortkomt. Ik denkt dat het er voor iedereen, Baka of bantoe, op aankomt: vertrouw ik me wel of niet aan het verbond toe. Aan dat wat sterker is dan al die beangstigende krachten.’

Wat het werkelijk betekent, wat de angst voor tovenarij, het geloof in kwade machten kan aanrichten, ontdek ik een week voor mijn terugkeer naar Yaoundé. Ik loop een dag mee op de polikliniek van zuster Herminia. Ze is verpleegster en van de vrouwelijke tak van dezelfde congregatie als Père Paul. Een ‘Soeur Spiritaine’, begin zestig, mager, met een klein gezicht, waar je goed naar moet kijken om te ontdekken hoe goed ze kijkt.
Een moeder komt binnen met haar vijf jaar oude zoontje. Hij ziet er ziek uit, met waterige oogjes en rare hamsterwangetjes. Zuster Herminia legt de moeder uit wat het kind nodig heeft. Als hij dagelijks pasta eet, van de nootjes die hier overal groeien, zal hij binnen een paar weken beter zijn. De moeder lijkt niet te luisteren, glimlacht vaag voor zich uit. Zuster Herminia laat haar assistent een injectie klaarmaken. Vervolgens geeft ze de moeder een blikje van Unicef. Daar zit alles in. De moeder giet het witte goedje bij het kind naar binnen, zonder hem een keer te laten slikken, alsof hij een hol vat is. Het druipt langs zijn kin. Ze snauwt het af. ‘Mais alors’, zegt zuster Herminia geschrokken. ‘Het is geen hond.’ Voor de moeder wegloopt, herhaalt ze nog eens wat het kind moet eten om weer op krachten te komen. De moeder lijkt het niet te horen.
‘Vorig jaar is haar vader gestorven’, legt Herminia me later uit. ‘En pasgeleden haar jongste broertje. Ze is ervan overtuigd dat haar familie behekst wordt. Er is al heel wat met dit kind afgesold. Een paar weken geleden had hij vreemde striemen op zijn buikje. Ze komt hier om voor het dorp een goede moeder te lijken, maar ik vrees dat ze hem heeft opgegeven.’
Iedere keer wanneer ik aan zuster Herminia denk, en aan het zieke kind, herinner ik me ook de man die zei: laat ze die mensen toch met hun fetisjen en amuletten. Geloof, bijgeloof, wat maakt het uit…

De laatste dagen in Lomié bereid ik me voor op het gesprek met bisschop Zoa van Yaoundé. Père Paul heeft hemel en aarde bewogen om een toespraak te vinden die Zoa een paar jaar geleden gehouden heeft. Een belangrijke toespraak, vindt hij, waaruit een grote visie spreekt. Ik onderstreep de interessantste zinnen. ‘De toekomst kan niet bestaan zonder het geheugen.’ Zoa vergelijkt het lijden van Afrika door de eeuwen heen met het lijden van Christus. Hij spoort aan, dat lijden, het lijden van het continent, in al zijn stadia, zonder angst onder ogen te zien. Omdat daarin ook sporen van Gods liefde te vinden zijn. Het onder ogen te zien met het bewustzijn dat in de Afrikaanse mens heel de mensheid geschonden wordt, en niet een mens of een ras.
Zijn artikel heeft dezelfde veerkracht als zoveel mensen die ik heb ontmoet, zijn zinnen zijn bemoedigend, realistisch en verzoenend. Staan haaks op het gangbare Afropessimisme, die litanie van oorlog en ziekte, chaos en corruptie overal. Het doet ook denken aan wat Libermann schreef toen hij hoorde dat de meeste missionarissen die hij naar Afrika had laten gaan, door ziekte waren omgekomen. ‘Nu we niets meer zijn, kunnen we grootse plannen maken.’
Maar de mooiste zin die Père Paul citeerde, de zin waardoor ik het artikel per se wilde lezen, staat er niet in. ‘De Pasen van Afrika’ – waar staat dat toch Paul? ‘De Pasen van Afrika dat staat helemaal nergens.’ ‘Nee’, zegt hij, en hij grinnikt, ‘die zin is van mij.’
Het was de eerste keer in dertig dagen dat ik hem hoorde zeggen dat iets van hem was.

***

 

Als gist in het deeg

De naam ‘kleine zusters’ wil niks schattigs suggereren. Met ‘kleine’ willen de zusters van Jezus hun eenvoud benadrukken. Hun inspirator is Charles de Foucauld (1858-1916). Drie van zijn volgelingen wonen op een kleine etage midden in de Amsterdamse Jordaan. Geld verdienen ze met schoonmaken, of – zoals in het verleden – op de kermis.

                                                                          door Vonne van der Meer

 

Er bestaat een religieuze orde die zich bezighoudt met zoiets onspectaculairs als vriendelijkheid. Toen ik de afgelopen winter in Afrika was om over een missionaris te schrijven hoorde ik voor het eerst over de orde van Charles de Foucauld, of: de kleine broeders en zusters van Jezus. Er zijn er zeventienhonderd in de wereld. Ze leiden zo’n onopvallend leven dat ik ze nooit gevonden zou hebben als ik hun adres niet destijds in Kameroen al had genoteerd. Ze staan niet op de lijst voorzieningen voor daklozen, ze delen geen soep uit, maar werken in fabrieken of als schoonmaakster. In je eigen onderhoud voorzien, is een van de grondslagen van de orde.

Wat ik wilde, een paar weken bij hen logeren om te zien hoe ze leefden, was onmogelijk. De kleine zusters van Jezus wonen niet in een ommuurd klooster met gastenverblijf, maar op een kleine etage midden in de Jordaan. ‘Ik droomde van een nieuwe vorm van kloosterleven’…, schreef de stichteres van de vrouwelijke tak van de orde, zuster Magdeleine, ‘verbonden met het leven van anderen. Als gist in het deeg.’ De huiskamer doet aan de andere kant van de boekenkast dienst als kapel, en als ik bij onze eerste ontmoeting rondkijk, zie ik dat er behalve onder de keukentafel geen slaapplaats voor me is. Mee naar het werk kan ook niet. ‘De mensen met wie wij samenwerken komen ook nooit in de krant.’

De naam van de orde klonk me altijd wat zoetelijk in de oren. Alsof ik na het aanbellen opengedaan zou worden door allemaal zusjesachtige wezens. Maar de naam kleine zusters wil niks schattigs suggereren, hij is gekozen in een tijd waarin de geestelijkheid hoog aanzien genoot. Met ‘kleine’ wilden de zusters hun eenvoud benadrukken. Het ideaal van de inspirator van de orde, Charles de Foucauld (1858-1916), die pas na zijn dood volgelingen zou krijgen, was een leven leiden zoals Jezus dat in Nazareth leidde, voor hij in de openbaarheid trad. Ze wonen met zijn drieën. De Franse zuster Andrée Julliènne is eind vijftig, de Zwitserse Mauricia zesenveertig, en Claartje achtendertig. Voor ze intraden, hebben ze alledrie een opleiding gevolgd, een beroep uitgeoefend. Toch doen ze vanaf hun intreden ongeschoold werk.

Claartje hoorde achttien jaar geleden, op een reis na haar eindexamen vwo, van een theologiestudent voor het eerst over de kleine zusters: dat ze het lawaai van stampende machines en radio’s niet meden, maar ook veel tijd uittrokken voor gebed. Ze dacht helemaal niet aan een leven als religieuze, maar het beeld bleef haar bij. Diezelfde reis bracht ze een paar dagen in Taizé door, een oecumenische broederschap in Frankrijk, waar al vanaf de jaren zeventig jongeren naartoe trekken.
Tijdens de eerste gebedsdienst zat ze voornamelijk om zich heen te kijken. Ze zag dat iedereen diep in zichzelf gekeerd was, en vroeg zich bezorgd af waarom zij niet zo kon bidden. Wat ze hier eigenlijk moest? Op dat moment werd haar iets duidelijk: ik ben er, en dat is genoeg. Ze beschrijft het als een gedachte die de kracht had van een ervaring.
Vanaf die dag was haar verlangen naar stilte, naar dagelijks bidden gewekt. Ze wilde altijd al met haar handen werken en ‘iets met mensen’ en begon aan een opleiding tot fysiotherapeute.

Ze heeft haar beroep een jaar uitgeoefend. Zoals ze tegenover me zit, lang, rechtop, de mouwen van haar blauwe trui opgestroopt, kan ik een gevoel van spijt niet onderdrukken. Kon ze niet fysiotherapeute blijven én intreden? Is het niet een verwaarlozing van haar talent om als schoonmaakster te werken? Zo ziet zij het niet: als fysiotherapeute doe je altijd iets voor iemand. Sta je altijd in de verhouding verzorgster-verzorgende. Dat is iets anders dan een lot delen, naast iemand staan.

Op bezoek in een Clarissenklooster kwam het voor het eerst in Clara op dat zij ook religieuze zou kunnen worden. Ze was gelukkig maar ook geschokt. ‘Het waren de jaren tachtig. Iedereen trad uit, of was al uitgetreden. Ik dacht: ik ben vast niet normaal.’

Haar ouders begrepen er niets van. Haar moeder had altijd bij nonnen op kostschool gezeten, haar hele jeugd gebeden dat ze alsjeblieft maar geen non hoefde worden, en nu gaf haar dochter te kennen dat ze misschien wilde intreden. Maar ze deed niets overhaast.

Er liggen zeventien jaar tussen het moment dat ze voor het eerst aan de mogelijkheid dacht, en die dag in december 1996 toen ze haar eeuwige gelofte aflegde.

Het klinkt als een geloofsbelijdenis: ‘Het leven is de moeite waard. Ook het leven van een schoonmaakster is voor mij de moeite waard. Als ik als schoonmaakster gelukkig kan zijn, plezier in mijn werk heb, laat merken dat het belangrijk werk is, dat er niets minderwaardigs aan is, maakt dat het werk voor een ander misschien iets lichter. Meer de moeite waard.’ Zolang ik tegenover haar zit, heb ik dezelfde sensatie als bij het lezen van een gedicht. Al lezend begrijp ik het, maar in de trein op weg naar huis, begrijp ik al meteen niet meer wat ik nou begrepen heb.
Aan haar uiterlijk is niet te zien dat ze tot een religieuze orde behoort. De blauw katoenen jurk die de zusters vroeger droegen, is in Nederland in 1982 afgelegd, de hoofddoek in 1987. Wel gaan ze alledrie altijd in het blauw gekleed, en dragen een houten kruis om hun hals. Toen ze vorig jaar uit Rome terugkeerde, waar ze nog een laatste vormingsperiode had doorgebracht, heeft ze vaak moeten solliciteren. Als ze een paar weken werk zocht via een uitzendbureau, vertelde ze niet dat ze religieuze was, toen ze een vaste baan zocht wel.

Ze wilde geen undercover non zijn. Ze heeft de arbeidsconsulente overtuigd dat het geen bezwaar hoefde te zijn dat ze hoger opgeleid was dan de leidster van de schoonmaakploeg. Dat het niet haar ambitie was voorvrouw te worden. Dat ze ook niet van plan was om tijdens de koffiepauze met de Bijbel te zwaaien, of haar collega’s te bekeren. Ze wil alleen maar schoonmaakster zijn, een van hen.
Kan dat wel? Zij wil dit werk doen, de anderen hebben waarschijnlijk niet veel te kiezen. Ze knikt en vult me aan: ‘…en ik heb ervoor gekozen om van een laag salaris te leven, voor een ander is dat de keiharde realiteit. Ik zal nooit over de gelofte van armoede beginnen. Ik wil me er niet op laten voorstaan dat ik dit werk doe. Hoe ze mij zien? Ik geloof niet dat ze zo over mij nadenken. Ik moet mijn werk goed doen, ze moeten weten dat ze van me op aan kunnen.’
‘Als gist in het deeg’, schreef zuster Magdeleine. Wat wil ze nog meer zijn behalve een betrouwbare collega? Iemand die het voor de anderen opneemt? Het goede humeur van de ploeg? Ze vindt dat het allemaal te bewust klinkt, maar als ze ’s ochtends om half zeven naar haar werk fietst, is het zeker met een bepaalde houding. Ze wil iemand zijn bij wie mensen hun verhaal kwijt kunnen. Ze hoopt dat er een band ontstaat, ‘maar als iemand niet wil, dring ik me niet op.’
‘Maar dat probeer ik toch ook op mijn werk’, zegt een vriendin die ik over mijn ontmoeting met Clara vertel.
‘Wat is daar zo bijzonder aan?’ Even weet ik niet meer waar ik ook al weer mee bezig ben. ‘Zíj is bijzonder’, zeg ik.
‘Is het niet bijzonder dat iemand zoiets vanzelfsprekends tot doel van haar leven verheft? Dat, en verder niks. En dat ze dat zelf niet bijzonder vindt.’

Deze baan heeft ze nog maar kort en ze wil er niet veel over kwijt, behalve dat ze hoopt er tot haar vijfenzestigste te blijven. Toch was ze niet altijd meteen een van hen. In een wasserij in Den Haag waar ze een paar jaar heeft gewerkt, gingen de gesprekken vaak over seks en borstvergroting. Dan werden er ook allerlei opmerkingen in haar richting gemaakt, terwijl er met een schuin oog naar de mannen werd gekeken of die de grap wel meekregen. Dan dacht ze: laat ik alsjeblieft geen rood hoofd krijgen. En: wat moet ik de volgende keer terugzeggen?

‘Ik had wel door dat ze me alleen maar uitprobeerden. Om erachter te komen wat ze aan me hadden. En dat die opmerkingen zouden blijven terugkomen… O, ja. Er was daar ook een Surinaamse, die me een keer fluisterend apart nam: “Zeg het maar, mij kun je wel vertrouwen. Waarom ben je non geworden? Zeg het maar…”

Ik vertelde haar wat ik jou heb verteld. Ze was teleurgesteld, had op zijn minst een groot drama verwacht.’

Een drama met een man? ‘Ja, waarschijnlijk.’

Het drama waar haar collega naar viste, bestaat niet. Haar keuze voor het celibataire leven, in een religieuze gemeenschap, komt niet voort uit een onbeantwoorde liefde, angst voor mannen, of voor het leven. Ze wil juist midden in het leven staan, maar in een ander midden dan de meeste mensen. Haar keuze voor dit werk dwingt bij mij respect af, zeker nu, in een tijd waarin iedereen zijn best doet op te vallen. Beroemd wil zijn, zoals Andy Warhol zei, ‘al is het maar voor drie minuten’. Maar ik kan niet zeggen dat ik het volledig begrijp. Wanneer ik op een avond, tussen mijn afspraken met de zusters door, Andreas Burnier op de televisie hoor zeggen dat een mens niet zonder voorbeelden kan, denk ik weer iets meer van hen te begrijpen. Maar zodra ik dan weer tegenover hen zit, weet ik al dat zij het woord voorbeeld te mooi vinden, te heldhaftig, te voorbeeldig.

 

Toen ze op tweeënvijftigjarige leeftijd werd afgekeurd, had Andrée Julliènne achtereenvolgens in een plasticfabriek, in de textiel, in een farmaceutische groothandel, en in de keuken van de marine gewerkt. Dat ze nogal eens van baan wisselde, kwam niet doordat ze het niet uithield met haar collega’s – integendeel – maar doordat de bedrijven waar ze werkte steeds failliet gingen.

Ze moet lang zoeken naar voorbeelden van moeilijke situaties, naar momenten dat ze niet een van hen was. ‘Soms moest je wel voor jezelf opkomen. Dat vond ik moeilijk. Je kunt wel eens een keer een klusje overnemen waar iemand een hekel aan heeft, maar je kunt je niet laten gebruiken omdat je zuster bent.’ Ze ziet er met haar kleine stevige postuur, kort geknipte grijze haar, Bretonse visserstrui, op het eerste gezicht niet uit of ze voor zichzelf opkomen moeilijk vindt, maar misschien doet ze het makkelijker voor een ander.
Voor ze in 1959 op tweeëntwintigjarige leeftijd intrad, werkte ze als onderwijzeres. Het was de tijd van de priesterarbeiders, van priesters die in fabrieken gingen werken om samen met arbeiders betere arbeidsomstandigheden af te dwingen. Ze voelde zich nauw bij de beweging betrokken, en toen Rome dreigde het te verbieden, was ze zo teleurgesteld dat ze niets meer met de kerk te maken wilde hebben. Maar het waren ook de jaren van de oorlog in Algerije. Ze hoorde verhalen van jongens die daar als soldaat naar toegestuurd waren en mee hadden moeten doen aan martelpraktijken. ‘De mensen die mij geholpen hebben over dit alles na te denken, hoorden ook bij de kerk. Ik merkte dat ik me er ondanks alles toch niet van wilde losmaken.’
Ze begon pas over intreden te denken toen ze het een vriendin afraadde.
‘Die wilde intreden omdat haar vriend het had uitgemaakt. Ik zei: Je bent gek. Je gaat toch niet het klooster in omdat je vriend er vandoor is!’ Ze vroeg een priester van school of ze niet al te fel was geweest. Ze klinkt ineens heel Frans: ‘Ik vroeg hem: heb ik goed gedaan, heb ik slecht gedaan?’
Hij gaf geen antwoord, maar vroeg of zij er zelf soms over dacht in te treden. Zo begon ze er voor het eerst, aarzelend, over na te denken, over een leven als religieuze, maar bij welke orde dan. Snel, bijna onverstaanbaar praat ze er overheen, over ‘een soort ervaring’ die ze had van de nabijheid van God, waardoor ze dacht: misschien moet ik het doen. ‘Een soort ervaring?’, vraag ik. Ze kijkt me aan alsof ze al weer spijt heeft dat ze erover is begonnen. ‘Nou ja, dat is dan één keer en dan moet je je eigen weg gaan.’

Welke weg het zou worden was niet meteen duidelijk. Ze zag een diaserie over het leven van zuster Magdeleine en dacht: dit is niets voor mij. ‘Dan kwam er weer een dia met zo’n leeg woestijnlandschap, een kameel, en twee kleine zusters.’ Na het lezen van het boek Om het hart van de massa van René Voillaume, oprichter van de kleine broeders, werd ze pas enthousiast. Ze zei haar baan als onderwijzeres op en besloot het te proberen.

‘Wat is belangrijk in het leven? Voor mij niet dat ik een goede baan heb. Voor mij is het een waarde het lot te delen van mensen die geen andere keuze hebben. Natuurlijk kan die betrokkenheid ook op volleybal ontstaan, of op het koor, of in het café. Maar wat jij mijn talent noemt, is voor mij niet dat ik goed kan leren of lesgeven. Ik wilde iets anders ontplooien: het talent om met heel verschillende mensen om te gaan. Zoals ze zijn, zonder ze te willen veranderen.’

Wanneer ik op zondag met de zusters meega naar de kerk en Andrée Julliènne een ruzie zie sussen tussen een junk en een mevrouw met een witte permanent, moet ik denken aan de wilde verhalen die haar aanvankelijk afschrikten. Ze mag dan nooit in de Sahara tussen de nomaden geleefd hebben, ze blijkt nogal wat verslaafden te kennen in de woestijn die een grote stad kan zijn. Ze strijkt een briesende jongen, die meent dat hij vals van iets beschuldigd wordt, net zo lang over zijn rug tot hij rustig is.

Sinds ze afgekeurd is, doet ze vrijwilligerswerk voor het drugspastoraat. Ze zoekt een aantal mensen regelmatig op, of ontvangt ze thuis. Maar dan doen ze toch ook iets voor iemand?

Dat wat Claartje zei niet te willen. Zo heel anders dan zusters die sociaal werk doen, is hun houding dan toch niet? ‘Toch wel. Het kenmerk van deze orde is vriendschap, wederkerigheid. Wij geven niets. Ja, wat geef ik nou, mijn tijd misschien, en een kop koffie. De mensen geven mij veel vertrouwen, dat moet wederzijds zijn. Sommige religieuzen snappen ook niet wat we doen. Omdat het niet efficiënt is.’

Achteraf, nu ze er zo met me over praat, vind ze het toch wel vreemd dat ze is ingetreden. Toen haar postulaattijd – een soort stageperiode waarin iemand met een orde meeleeft – afliep, was ze niet enthousiast. ‘We waren met een grote groep. Ik was eenzaam. En dat uur bidden waar iedere dag mee begon, dat hadden we nooit geleerd.’

‘Kun je het nu? Een uur stil zitten bidden?’

‘Je kunt het nooit zoals je het zou willen kunnen.’

Ik heb voor ons tweede gesprek een uur uitgetrokken, maar Andrée Julliènne heeft iets van een kind voor wie de les te lang duurt. Ging de bel maar!

‘Ga maar, zeg ik.’

Ze bidden driemaal per dag, samen of alleen. Ze beginnen en eindigen de dag met gebed, maar hebben verder geen speciale gebedstijden. Ze bepalen iedere dag opnieuw wanneer ze er tijd voor vrijmaken. Iedere dag verloopt nu eenmaal anders, met andere afspraken. Als de telefoon gaat terwijl ze aan het bidden zijn, nemen ze op, want het leven gaat door.
Mauricia was achttien in 1968 en heeft sterk het gevoel dat alles wat er toen gaande was, haar keuze voor deze orde bepaald heeft. Met haar expressieve gezicht, zwarte pagekapsel, streepjestruitje, doet ze me denken aan een straatartiest. Een pantomimespeelster die een standbeeld kan nadoen, maar ook een man die meegesleurd wordt door een te grote hond.
Ze komt oorspronkelijk uit een klein, katholiek dorp in Zwitserland. Ze was al van jongsaf aan ‘geraakt door het evangelie, door het leven van Jezus en hoe Gods liefde een gezicht kreeg in Jezus’. Ze is de enige van de drie, die er uit zichzelf over begint. Het is alsof de anderen uit schroom grote woorden te gebruiken liever niet zeggen, of pas na enig aandringen, wat hen drijft.
‘Ik was bang om mee te geven. Ik dacht: waar gaat dat heen, waar kom ik terecht? Wat ik zag, trok me niet. Je had zusters in slotkloosters, en zusters die heel druk bezig waren in een beroep.’ Op reis door Frankrijk ontmoette ze voor het eerst een kleine zuster. Ze dacht: dit wil ik ook, maar het lukt me nooit. Ze durfde de stap niet te zetten en ging door met haar werk, het lesgeven aan moeilijk opvoedbare kinderen. ‘Op een gegeven moment veranderde er iets. Ik begreep dat het niet alleen om mij ging. Dat ik het niet alleen hoefde te kunnen. Alsof het iemand anders was die aan me trok.’

Ik moet denken aan een formulering in een boek over De Foucauld: de dans met de onzichtbare partner…

Na haar postulaattijd belandde ze op de kermis. Vier jaar lang trok ze in een caravan, met twee andere zusters met een groep kermisexploitanten mee door Zwitserland en Italië. Als ik in de lach schiet, zegt ze vlug dat het niet haar idee was. Dat de orde het belangrijk vond dat ze met een groep optrokken die voor de reguliere kerk onbereikbaar was. Ze hadden hun eigen stand gebouwd, met echt woestijnzand en een nomadentent. Onder het zand hadden ze witte bloemen verstopt, die het publiek er binnen een minuut moest zien uit te vissen. Ze droegen toen nog hun blauwe jurk en de hoofddoek, en iedereen vroeg: ‘Is het voor een goed doel? Is het voor de missie? En dan legden wij uit dat dit ons werk was.’

In Italië kwam ze op de kermis veel jongeren tegen die al jaren aan het rondtrekken waren, op zoek, en die vaak een stuurloze indruk maakten.

Ze begon te denken over een manier om juist die mensen, die nooit ergens lang bleven, te bereiken: ze zag zich al, met een rugzak op, liftend langs de wegen van Europa. Kort daarna hoorde ze dat twee zusters die in Amsterdam op een boot woonden, een derde zochten.

Ze hadden op die boot veel aanloop van juist die mensen voor wie Mauricia zich zo interesseerde.

Ze bleef er tien jaar. Ze kwam erachter dat ze haar zoekende, zwervende generatiegenoten geïdealiseerd had. Ze zag veel mensen kapotgaan aan hun experimenten. Op de dichtbeschreven verjaarskalender die op de wc-deur van de zusters hangt, staan heel wat namen met een † erachter.

‘Dat mensen doodgaan is niet het allerergste’, zei Andrée Julliènne me. ‘Maar het spelen met de dood wat een verslaafde doet, daar wen je nooit aan. Bijna iedereen heeft tijdens zijn aftakeling een helder moment dat hij roept: was ik er maar nooit aan begonnen. Wat kun je dan zeggen?’

Mauricia heeft die tien jaar op de boot, en ook de laatste vier jaar sinds de zusters op deze verdieping wonen, dezelfde baan gehad. Ze zijn hier naartoe verhuisd omdat ze de drukte niet meer aankonden. De mensen stonden al bij de loopplank te wachten als zij van hun werk thuiskwamen. Ze werkte al die jaren als schoonmaakster in een opvangtehuis voor alleenstaande moeders. Hoe ging het ‘een van hen zijn’, haar af? Heeft ze zich op het werk nooit anders voor hoeven doen dan ze is? Voor ze intrad heeft ze veel gereisd, ze kent mensen van over de hele wereld. Had ze bij bepaalde onderwerpen niet het gevoel dat ze zich moest inhouden?

‘Er viel niets in te houden. Ik moest de taal nog leren.’ Door haar donkere ogen en de hoofddoek dacht iedereen in het begin dat ze een Turkse was, die hier door haar man naartoe was gehaald. Ze moest ook leren werken, ‘hoe ze hier de ramen lappen, heel anders dan in Zwitserland.’ Haar verhaal doet me denken aan Günter Wallraff, die vermomd als buitenlandse gastarbeider ging werken in een fabriek. Hij maakte aantekeningen en kwam tevoorschijn met een opzienbarend boek. Zij wilde blijven, ‘tussen de mensen waar de krant nooit over schrijft, daar speelt het leven zich voor mij af. Ik geloof in de kracht van het verborgene. In de kracht die mensen in zich hebben, waarvan ze zich vaak niet bewust zijn. In het Magnificat staat ook: ‘…en hoog verhief Hij de geringen.’

Ik bekijk met Claartje de foto’s van de viering van haar eeuwige gelofte. Op een foto biedt ze haar moeder een roos aan. Hebben haar ouders het uiteindelijk toch begrepen? ‘Ja. Op het feest na afloop hoorde ik mijn moeder zeggen: “Claar, die is nu helemaal op haar plaats.”’
Ik weet nog altijd niet of ik het begrepen heb. Soms denk ik: iemand die het echt begrijpt, die treedt in. Maar geraakt ben ik wel. Sinds ik hen ontmoet heb, zie ik overal kleine zusters. Ook al weet ik dat er maar zeven in Nederland zijn. In de rij bij de supermarkt, in een volle tram, in de wachtkamer van de polikliniek. Dat ik denk dat ze er zouden kunnen zijn, maakt alles even iets lichter.

***

 

                                                                          Eenzame missie in Japan

Na veertig jaar missiewerk in Japan is pater Hans Werter volgens zijn familie zelf een halve Japanner geworden. Het leven was er zwaar en veel zielen heeft hij er niet gewonnen. Hij hield zich voornamelijk bezig met‘sociale actie’. Werter: ‘Het enige dat het christendom Japan te bieden heeft en had, is het idee van de naastenliefde.’

                                                                            door Vonne van der Meer

 Er wonen 26 oud-missionarissen, en sinds kort 9 trappisten, op Huize Sparrendaal bij Vught, maar ik zie onmiddellijk wie van de mannen op de gang pater Werter moet zijn. Hij loopt vlug, met dribbelende passen, hoog in de schouders, diep gebogen alsof hij voortdurend bezig is iemand te begroeten. Zelf ziet hij het niet, maar hij neemt wel aan dat het waar is wat zijn familie over hem zegt: Hans is een halve Japanner geworden. Hij praat snel, intoneert anders. ‘Ach zo’, ‘gek hè’ en ‘dank u wel’ klinkt uit zijn mond als een vreemde taal.
Twee jaar geleden is hij op 69-jarige leeftijd uit Japan teruggeroepen om de gemeenschap op Sparrendaal ‘te versterken’ zoals hij spottend zegt. Hij gaat me voor de lange, schemerdonkere gangen door, trap op, trap af langs een grote eetzaal, een kleine en een grote recreatieruimte. De inrichting is bruin, beige, bruin, met meubels uit de jaren vijftig. En zo ruikt het ook: naar sigaren. Langs de muren vitrines met beeldjes en gebruiksvoorwerpen uit de hele wereld, maar vooral uit China.

Om China te bekeren werd deze Orde in 1862 gesticht. Ooit konden hier zeker tweehonderd seminaristen tot missionaris worden opgeleid. ‘Missionarissen van Scheut’ heten ze, genoemd naar de woonplaats van de Belgische stichter. Ze konden wandelen door de uitgestrekte bossen rond het huis, het kerkhof zien waar ze zelf waarschijnlijk zouden komen te liggen, voetballen op het grasveld. Vanuit de tuin wijst pater Werter me op de donkere ramen op de tweede verdieping: daar waren de slaapzalen. Op de vijver drijven herfstbladeren en afgewaaide takken. Die moesten ze er vroeger ieder voorjaar uitvissen, voor er gezwommen kon worden.
Hij had zich altijd voorgenomen rond zijn 70ste naar Sparrendaal terug te keren, want het missieleven in Japan was zwaar. ‘Je zat niet met drie of vier, zoals op een Afrikaanse missiepost, maar altijd alleen.’ Hij is veertig jaar in Japan gebleven. Hoe heeft hij het volgehouden? Waarom bleef hij? Waarom bleef hij, ook toen bleek dat de missie in Japan ‘in getalsmatig opzicht mislukt’ was, zoals hij al in het begin van ons gesprek laconiek opmerkt.

Hij was 14 toen de oorlog uitbrak en vermoedt dat het door het vele bidden in die jaren kwam dat hij besloot priester te worden. Zijn oudere broer Jan had die beslissing al genomen en Werter zag hoe trots zijn ouders op hem waren. ‘Dat speelde zeker mee bij mijn roeping. Ik was een braaf ventje.’
Hij wilde naar Japan. Japan had de oorlog verloren, het was een ontredderd land. In 1946 had de keizer verklaard dat hij geen aanspraak meer maakte op een goddelijke afkomst. Het shintoïsme gaf de mensen misschien een gevoel van verbondenheid met hun voorouders, hun land, de keizer. Maar het bood, nam men aan, geen morele maatstaven, niet de levenshouding waar in die chaotische na-oorlogse tijd zo’n behoefte aan leek te bestaan.

De voorspelling was dat Japan binnen tien jaar christelijk zou zijn. Er was nog nooit een Nederlandse missionaris van Scheut naar Japan gegaan, dus ook niet teruggekeerd.
In het zuiden was geen leermeester te vinden die Werter Japans kon bijbrengen. Leer maar Chinees, werd er gezegd, dat zijn ook van die tekentjes. Er waren genoeg Scheutisten die hem Chinees konden leren, en ook alle tijd hadden. Met de opkomst van het communisme had China alle missionarissen het land uitgezet. Vijf jaar lang studeerde Werter, naast andere seminarievakken als theologie en filosofie, ijverig Chinees. Terwijl hij al die jaren wist dat hij eigenlijk Japans zou moeten leren.

In september 1955 vertrok hij met zestien Belgische Scheutisten, van wie er twaalf naar de Filippijnen zouden gaan, met de boot naar Kõbe. Zijn familie was op het station van Eindhoven afscheid komen nemen. Een man die het geëmotioneerde afscheid op het perron gadesloeg, vroeg Werter waar de reis heenging. ‘Ik ga als missionaris naar Japan’, had hij geantwoord, waarop de man uitriep ‘Naar Japan! Weet u dan niet wat die in de oorlog met ons hebben uitgevreten.’ Het zou voorlopig de laatste keer zijn dat dit onderwerp werd aangeroerd. Werter kan zich niet herinneren dat iemand er ooit tegen hem over is begonnen. Iedere Japanse man onder de vijfenveertig was in dienst geweest, ook priesters, maar er werd na de oorlog nooit over gepraat. Ik vraag hem of hij dat niet moeilijk vond, of vreemd. Hij was 29 toen hij vertrok, hij wist toch wel iets. Had hij geen last van vooroordelen?
‘In Nederland werd er toen nog niet veel over de interneringskampen gepraat. Ik kende geen mensen die gevangen hadden gezeten. Ik had geen beeld van Japanners, ook geen negatief beeld.’ Misschien wil hij niemand voor het hoofd stoten, ook niet met een vooroordeel van lang geleden. Sinds hij terug is in Nederland werkt hij ook weer met Japanners.

Toen hij na een bootreis van een maand aankwam, was hij de eerste Nederlandse Scheutist in Japan, maar niet de eerste missionaris. Al in 1549 was de Baskische jezuïet Francis Xavier er met twee confraters en een tolk heengegaan. Er waren al driehonderdduizend christenen, op een bevolking van twintig miljoen, toen het christendom in 1597 in een vlaag van xenofobie verboden werd. Europese priesters moesten het land terstond verlaten, bleven vaak toch, maar ondergronds. Kerken werden in beslag genomen, de christelijke bevolking uit elkaar gedreven.

In 1629 werd de ‘Fumie’ afgekondigd, een ritueel waarbij christenen een kruis of ander christelijk symbool moesten vertrappen onder het uitspreken van een tekst waarmee ze hun geloof verloochenden. Wie het niet deed werd gemarteld. Duizenden katholieken bezweken aan die martelingen. Die periode van vervolgingen heeft ongeveer 260 jaar geduurd.
In het na-oorlogse Japan leek het enthousiasme voor het christendom groot. Nu de keizer niet langer goddelijk was, was er ruimte voor een andere God. De Amerikaanse kerken deden veel aan voedselhulp, en ook dat wekte nieuwsgierigheid. Werter was in het begin vooral bezig de taal te leren. Hij is dat eerste jaar wel eens in janken uitgebarsten omdat het niet opschoot. Maar aan opgeven en naar huis terugkeren heeft hij nooit gedacht.

Het raadselachtig aan hem is – denk ik na ons eerste gesprek – niet een groot geheim, maar zijn vasthoudendheid. Zijn taaiheid. En zijn trouw aan ‘de anderen’, de confraters die ook met de taal worstelden, die het ook moeilijk hadden.

Na de oorlog was er veel lepra, en de leprozen werden afgezonderd, onder meer op het eiland Nakashima in de Japanse binnenzee. Werter ging er die eerste jaren vaak met andere priesters heen om zieken te bezoeken.
Zijn verhalen doen me denken aan de roman die Shusaku Endo over een leprozenkolonie schreef. The girl I left behind gaat over het meisje Mitsu, dat een zusje van Werter had kunnen zijn, zo kalm en weinig spectaculair, op het bleke af, wordt ze door Endo afgeschilderd. Hoewel ze uiteindelijk geen lepra blijkt te hebben, besluit ze bij de leprozen te blijven wonen. ‘In Japan hoor je een zieke eigenlijk niet alleen te laten’, legt Werter me uit. ‘Maar wie heeft er tijd, de verpleegsters in ieder geval niet.’
In zijn eerste parochie in Kurashiki, een stadje aan zee in het bisdom Hiroshima, moest hij onder ogen zien dat de voorspelling van een christelijk Japan nooit uit zou komen.

‘Bij de eerste catecheseles had je dertig leerlingen, de volgende keer twintig, en ten slotte waren het er vijf die bleven komen. En zo ging het overal.’
‘Dat iemand tot in het diepst van zijn hart betrokken kan zijn bij een religie, is een idee dat de meeste Japanners vreemd is. Religie wordt eerder beschouwd als een gereedschap, iets wat je gebruikt om er voordeel uit te slaan.’ Ik leg deze passage uit De onzichtbare drijfveren van een wereldmacht van K.G. van Wolferen aan Werter voor. Hij knikt. Hij heeft in de loop der jaren gemerkt dat de mensen vinden dat het christendom te veel eist. Tot te veel verplicht. Maar diegenen die zich lieten dopen, die namen het ook serieus. Die werden heel actief in het vrijwilligerswerk. ‘Die waren echt het zout der aarde’.

Het vergt nogal wat om in Japan anders dan anderen te durven zijn. Willens en wetens tot een minderheid te gaan behoren. Kerstmis is er een gewone werkdag. Nog niet één procent van de bevolking noemt zich christen. Als je christen wordt, val je uit het grote plan. Een oudste zoon zal het dan ook nooit worden, die moet de familietraditie voortzetten. Alleen in Tokio en Osaka ontstonden al gauw bloeiende parochies, omdat daar veel jonge mensen heen trokken op zoek naar werk. Die woonden niet meer thuis, en waren vrij om hun eigen keuze te maken.

Van andere Scheutisten die er al langer waren, hoorde hij dat het in Japan belangrijk was om naast het priesterschap nog een vak uit te oefenen. Alleen maar priester zijn, was te vaag, dan werd er niet naar je geluisterd.

Ik vertel hem over de ‘Kleine Zusters van Jezus’, over wie ik deze zomer in deze krant schreef. Zij willen alleen ongeschoold werk doen, tussen mensen verkeren die geen andere keuze hebben.

Om zijn taak te kunnen uitvoeren, moest Werter juist wel een positie met een zekere status verwerven. Zijn eerste verlofperiode bracht hij in Cambridge door om zijn certificaat voor leraar Engels te behalen. Vanaf dat moment heeft hij altijd lesgegeven en zijn positie als leraar gebruikt. In een van die stadjes waar hij woonde was een hotel waar veel katholieke Filippijnse meisjes werkten. In de bediening. Maar het gevaar bestond dat ze in de prostitutie terecht zouden komen. ‘Dus stapte ik op die hotelbaas af: dat dat niet de bedoeling was. Dat er naar me geluisterd werd, kwam doordat ik “de leraar” was.’Later bleek het ook om andere redenen ‘wel handig’ dat hij in zijn onderhoud kon voorzien. Met het stijgen van de levensstandaard, werd het leven in Japan ook schrikbarend duur, de last voor de congregatie te groot.

In de zes verschillende stadjes waar hij in de veertig jaar heeft gewerkt, had hij nooit meer dan honderd parochianen, te weinig om een kerkgebouw en een priester te kunnen onderhouden. Een huishoudster kon hij zich alleen de eerste jaren veroorloven, later ging hij maar in de stad eten. Gelukkig kwamen er op den duur overal vestigingen van McDonald’s. Ik zie hem voor me, gebogen over een hamburger, bakje frietjes ernaast.

Eenzaamheid is moeilijk te beschrijven. Hij weidt er niet over uit. Pas als hij stralend vertelt hoe fijn het was om een zondag per maand andere Scheutisten te kunnen ontmoeten – ook al moesten ze er driehonderd kilometer voor reizen – en dan samen wat te eten en drinken, en bij elkaar te biechten, krijg ik een idee hoe alleen hij de rest van de maand moet zijn geweest.

Toen hij eenmaal redelijk Japans sprak, kon hij nog niet vrijuit over zijn geloof praten. Op de technische scholen, verpleegstersopleidingen, en middelbare scholen waar hij lesgaf, mocht hij er niet over beginnen. Maar tegen Kerstmis een Engels kerstliedje zingen, was niet verboden. Zo kon hij wel het een en ander ter sprake brengen. De paar mensen bij wie hij een vonk heeft doen overspringen, die zich lieten dopen, waren bijna allemaal leerlingen.

Omdat hij de enige westerse buitenlander in de wijde omtrek was, raakten ze sowieso al geïntrigeerd. Ze bleven na de les vaak nog wat hangen, vroegen of het waar was dat hij naast dat kerkje met dat torentje woonde. Wat daar gebeurde?

Vanuit zijn werkkamer kon hij ze de kerk zien binnengaan. Hij ging er nooit op af, dat hoefde niet. Hij weet nog precies welke teksten aan de muren de belangstelling van zijn leerlingen wekten. ‘Komt allen tot mij die vermoeid zijt.’ ‘Ik ben het licht der aarde.’ ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven.’

Als ik hem zeg dat ik juist met deze laatste tekst de grootste moeite heb, vanwege het absolute de, schiet hij in de lach. Even weet ik niet meer hoe Japans hij nu reageert. Lacht hij uit gêne? Maar hij lacht omdat het Japans het lidwoord de niet kent. Op de muren van de kerk stond: ik ben weg, waarheid, leven.

We praten weer over Shusaku Endo, die in zijn verhalen vaak een Japanse priester opvoert die op zoek is naar een andere, meer Japanse vorm van christendom. Op een gegeven moment sprak Werter vloeiend de taal, maar had hij het gevoel dat hij altijd werd begrepen?

Hij aarzelt, weet niet of hij niet te zeer een Japanner is geworden om dat te kunnen beoordelen. ‘Niet alle christelijke begrippen zijn even makkelijk over te brengen.’

Schuld, ligt moeilijk. Een Japanner biecht niet, ook niet in de jaren dat dat in Nederland nog heel gewoon was. De mens is in zijn ogen goed, en helemaal niet ‘tot het kwade geneigd’. Je kunt je hooguit vergissen. Dat iemand schuldig aan iets is, een ernstig misdrijf daargelaten, en daar gebukt onder gaat, is een gedachte die de meeste Japanners vreemd is. Daarom heeft de Japanse regering ook nooit iets willen doen voor de slachtoffers van hun interneringskampen. Dat lijden was in de oorlog veroorzaakt, en oorlog is oorlog.
Barmhartigheid, daar hoef je niets aan uit te leggen, naastenliefde is al ingewikkelder. ‘Voor je naaste familie zorgen, is een plicht, maar een gehandicapte overbuurman verplicht jou tot niets. Ook de overheid doet niets voor zo iemand. Als jij een gehandicapt of geestesziek broertje zou hebben, was je waarschijnlijk nooit getrouwd. De patiënt wordt om te beginnen uit schaamte al door de familie in een achterkamertje weggestopt, maar de rest van de familie wordt ook gemeden.’ Het brengt hem op wat hij altijd als zijn belangrijkste taak heeft gezien: zieken bezoeken, vrijwilligers organiseren voor allerlei vormen van zorg en hulp. Alles wat hij steeds weer samenvat als ‘sociale actie’. ‘Japan was na de oorlog heel arm, maar nooit een ontwikkelingsland. Het enige dat het christendom Japan te bieden had en heeft, is het idee van de naastenliefde.’
Omdat hij het liefst en bijna uitsluitend over deze activiteiten praat, dringt de vraag zich op of hij als hij nu jong was, weer dezelfde keus zou maken. Zou hij weer priester worden? Of zou hij zich ook op een andere manier, los van een kerk, willen laten uitzenden? ‘Misschien wel. Als kind van deze tijd, met ouders die andere verwachtingen koesteren, misschien… Maar ik heb nooit spijt van mijn keus gehad.’

Sinds zijn terugkeer in Nederland draagt Werter eenmaal per maand, in een zijzaaltje van de Titus Brandsmakerk in Amstelveen, een mis op in het Japans. Hij is de enige priester in Nederland die het nog vloeiend spreekt. Het is de zondag van Allerzielen, de dag waarop de rooms-katholieken de parochianen en andere mensen uit hun omgeving herdenken die het afgelopen jaar gestorven zijn. Maar het is toevallig ook de dag van de Marathon van Amsterdam, en de kerk is niet makkelijk te bereiken. Om half een is er pas een echtpaar, een paar minuten later druppelen er nog wat mensen binnen. ‘Normaal komen er toch wel achttien mensen’, zegt Werter, maar hij is te druk bezig om er lang bij stil te staan.

Hij plaatst de bidprentjes met foto’s van twee overledenen op het altaar, zet er twee rode waxinelichtjes voor. Een vrouw komt binnen met een doek onder haar arm. Uit de doek komt een groot, ingelijst portret van een tengere, glimlachende vrouw met grijs haar.

De dochter haalt haar bidprentje weg en legt het portret op het altaar. Werter verdwijnt, komt terug met een bijzettafeltje dat hij voor het altaar plaatst. Hij zet het portret van de moeder, en het andere bidprentje erop, verplaatst de waxinelichtjes, steekt ze aan. De dochter knikt tevreden dat haar moeder er mooi bijstaat en ik betreur het dat ik de ingelijste foto van mijn gestorven moeder niet bij me heb. Dan kon ik haar daar nu neerzetten, naast die Japanse mevrouw en meneer. Nu doe ik dat maar in gedachten.

Ik zit op een leren stoel, en niet op een bamboe krukje. In een zaaltje met vloerbedekking, en niet in een bladerhut in het rode stof.

En toch denk ik terug aan een mis die ik begin van dit jaar meemaakte, bij de Baka-pygmeeën in Kameroen. Komt het door het geïmproviseer van de priester met bijzettafeltjes en waxinelichtjes? Doordat de mensen nu, net als toen, dichtbij, in een halve cirkel om de priester heen zitten, waardoor hij ze direct kan aanspreken? Misschien heeft het te maken met de toewijding van iemand die ver heeft moeten reizen om voor elf mensen een mis op te dragen. En de aandacht van die elf, die ook de moeite hebben moeten doen om hier te komen.

Werter begint de mis met het noemen van de namen van de overledenen. En zal ze tijdens de mis nog twee keer noemen. Iedere keer wanneer de namen genoemd worden, knikken de parochianen naar de foto van de man en de vrouw op het tafeltje voor het altaar. De doden worden er zo levend van, dat ik me bijna inbeeld dat ik ze zie terugknikken.

Terwijl ik daar zit vind ik de vraag of hij zich een leven kan voorstellen waarin hij geen priester was, onzinnig. Als ik naar hem kijk denk ik: het is de bron. Zoals de sabbat voor de joden, en de zondag voor de christenen niet het eind van de week is, maar het begin: dat waar je kracht uit put om te doen wat je doen moet.

***

 

Verzoener in Caïro

Voor de Nederlandse Aboena Christiaan was de kennismaking met Egypte liefde op het eerste gezicht Hij ging er studeren, is er
inmiddels dertig jaar priester en doceert aan het koptisch-katholieke seminarie in Cairo. Werkend met moslims, kopten en andere christenen, is hij voortdurend bezig de gemeenschappelijke waarden in alle godsdiensten te benadrukken

                                                                      door Vonne van der Meer

 

In Afrika, Azië en Europa verrijzen steeds meer moskeeën. Dat maakt sommige mensen huiverig, zelfs bang: leven we binnenkort in een gesluierde samenleving? Willy Claes, ex-secretaris-generaal van de NAVO, sprak over de islam als ‘de nieuwe vijand’. Aanslagen op toeristen zoals onlangs in Luxor, de moord op zeven trappisten in mei 1996 in Algerije, het geweld van moslims tegen moslims dat daar al zo’n 75.000 doden eiste, voeden de angst.

Angst, en wat er uit voort kan komen, is voor de priester die ik in Caïro ben gaan opzoeken een boze geest. Een van de weinige dingen waarvoor hij zegt werkelijk bang te zijn.

De jezuïet die, als hij alleen is, meestal door Caïro fietst, zou een personage van Kees van
Kooten kunnen zijn. Hij lijkt frappant veel op Van Kooten: dezelfde lengte, trekken, eekhoornogen. Koot met lichtgrijs haar, net zestig, flink bruin geschminkt, en een grote, vierkante bril. Omdat hij in 1960 naar Libanon vertrok, weet hij niet wie Koot is. Als ik het hem uitleg, grijnst hij: ‘Mijn leerlingen kunnen me ook heel goed nadoen. Hoe? Dan komen ze met scheef zittende toog, en stapels boeken, die ze vervolgens niet inkijken, het lokaal binnenstappen.’

Er moeten nogal wat imitators van hem rondlopen, want tijdens mijn verblijf in Caïro – in de weken tussen ramadan en Pasen – komen we op straat, in kerken en theehuizen voortdurend oud-leerlingen van hem tegen. Dr. Christiaan van Nispen tot Sevenaer werkt al sinds 1969 in Egypte, waar nog geen 6 procent van de bevolking christen is. Hij geeft theologie, filosofie, cultuurgeschiedenis
en islam op het koptisch-katholieke seminarie en andere theologische instituten in Caïro. Hij neemt al twintig jaar deel aan het overleg tussen moslims, orthodoxe kopten en andere christenen. Joden doen niet mee aan het overleg. Tot de stichting van de staat Israël konden
zij rustig in Egypte leven, maar als gevolg van de oorlogen in de periode 1948-1973 zijn bijna alle joden uit Egypte weggetrokken.

De kennis die Egyptenaren van hun buren in Israël hebben, is vooral politiek. In de eetzaal van het seminarie waar ik logeer, wordt tijdens de maaltijden vaak voorgelezen. Op een avond heeft een jonge eerstejaarspriester in opleiding de beurt. Hij leest al een tijdje een in het Arabisch vertaald Frans essay wanneer hij begint te hakkelen: A… as… aw. ‘Auschwitz’, hoor ik pater Christiaan door de eetzaal roepen, en dan weer minutenlang zinnen waar ik geen woord van versta. Naderhand vertelt hij me dat de jongen inderdaad nog nooit van Auschwitz had gehoord. Dat Egyptenaren over het algemeen nauwelijks weet hebben van wat er toen in Europa is gebeurd. Het staat ver van hen af. Daardoor kennen ze de diepste angst van hun buren niet.

Aboena Christiaan, zoals hij in Egypte wordt genoemd, heeft aan de binnenkant van zijn rechterpols een tatoeage van een kruis. Alle kopten, al dan niet orthodox, hebben zo’n tatoeage. Het woord kopt komt van het Arabische gibt, dat afgeleid is van het Griekse Aigyptos. Dat was de benaming die de Arabieren gaven aan alle bewoners van Egypte, dat ten tijde van de Arabische verovering (639-642) geheel christelijk was. Met de islamisering van Egypte werd kopt de benaming voor hen die hun christelijk geloof behielden. Kopten zijn de oudst bekeerden ter wereld. Volgens de overlevering al in de eerste eeuw, door de evangelist Marcus. Orthodoxe kopten hebben hun eigen paus, Shenouda III, en hun eigen riten. Het koptisch is een kerktaal geworden. Met de komst van de franciscanen in de 18de eeuw is er ook een koptisch-katholieke kerk in Egypte ontstaan. Ze volgt dezelfde riten als de orthodoxen, met veel psalmgezang dat ondersteund wordt door feestelijk cimbaalgekletter. Koptisch-katholieke priesters mogen net als de orthodoxen getrouwd zijn, maar de kerk valt onder de verantwoordelijkheid van Rome.

Christiaan: ‘Nu zou zo’n kerk niet meer gesticht worden. Sinds eind jaren zestig richt de katholieke kerk zich op toenadering tot andere kerken, niet op bekering of inlijving. Maar je kunt die kerk met haar 150.000 leden ook niet opheffen omdat wij er anders over zijn gaan denken. Daarbij heeft deze kerk nog een ander bestaansrecht: ze is toegankelijker, universeler. De orthodox-koptische kerk is nogal spiritualistisch, naar binnen gekeerd. Ze heeft als grote merite dat ze zichzelf is gebleven, dwars tegen alle omstandigheden in. Ze heeft bloeiende kloosterordes. En leken spelen een grote rol. Maar de traditie is niet altijd wat ze moet zijn – bron van inspiratie – maar ook een hindernis. Van kritisch commentaar op de bijbel wil paus Shenouda niets weten: alles wat er staat is waar, ook historisch waar. Ik heb eens een orthodoxe kopt horen zeggen: “Als er in de Bijbel zou staan dat Jonas de walvis had verzwolgen, zou ik dat ook geloven”.’
Voor Aboena Christiaan in1960 naar Beiroet vertrok om Arabisch te leren, had hij nog nooit een kopt of een moslim ontmoet. Zelfs nog nooit met een protestant aan tafel gezeten. Zijn eerste docent Arabisch leerde hem iets dat hij nu achtendertig jaar later nog voor me kan vertalen: ‘Je spreekt niet langer over die mensen in die achterbuurten als je er een hebt leren kennen van wie je bent gaan houden.’ Over een taal leren, zei dezelfde leraar: ‘Er zijn mensen die een taal leren om anderen te kunnen vertellen wat ze te vertellen hebben, maar je kunt ook een taal leren om van de taal te ontvangen.’ Die eerste twee jaar waren bepalend. Hij volgde colleges Arabische literatuur en las over de kruistochten, maar dan bezien door Arabische ogen.
Op zijn beurt is hij nu ook een geliefd, inspirerend leermeester, merk ik in de weken dat ik op het seminarie te gast ben. Maar als ik zijn leerlingen vraag wat ze van Aboena Christiaan geleerd hebben, krijg ik niet te horen wat ik verwachtte: hoe ze Kant moeten begrijpen, of Augustinus. Of wat hij zelf steeds benadrukt: dat vragen belangrijker zijn dan antwoorden.

De een zegt dat hij van hem heeft leren bidden, ‘echt bidden’, een ander: dat je geduld moet hebben als de bus niet op tijd komt. En dat je moet delen, wat je weet en wat je hebt. Een jongen uit Zuid-Sudan: ‘Hij loopt altijd zo hard, ik loop nu ook veel harder.’
Na twee jaar Beiroet vertrok hij naar Caïro om Arabische filosofie te studeren en raakte vrijwel meteen ‘verliefd’ op Egypte. Op de hartelijkheid van de mensen, het gemak waarmee je met vreemden in contact komt, op hun verhalen, hun humor. ‘Gevoel voor humor en geloven hebben veel met elkaar te maken. Voor beide geldt dat je de omstandigheden niet het laatste woord gunt. Een zekere afstand tot de omstandigheden bewaart, je er niet door laat neerdrukken.’ Hij vertelt zelf ook graag. Wanneer we ons tussen stromen voetgangers en claxonnerende auto’s heen door de stad manoeuvreren, of van tegel naar tegel springen door een blank staande straat – soms is Caïro net Venetië – waarschuwt hij voor losliggende putdeksels. Ooit is een jonge Alexandrijnse bruid op zo’n deksel gestapt en zomaar in haar witte bruidsjurk in het riool verdwenen, weggespoeld. En niemand die haar ooit nog heeft teruggezien.
Hij vindt het een groot voordeel dat hij vier jaar in Egypte heeft kunnen studeren, vriendschappen sluiten zonder priester te zijn. Hij raakte bevriend met de zoon van een sjeik, een leraar en schriftgeleerde van de Koran, werd er kind aan huis..Toen hij in 1966 voor de afronding van zijn theologiestudie naar Lyon moest, vroeg de sjeik zijn dochter een afbeelding van Maria met kind te schilderen, om Christiaan op zijn reis te vergezellen.

In Lyon begon hij voor het eerst in het Koran-commentaar van Manar te lezen, een boek van zesduizend bladzijden dat tussen 1900 en 1935 in delen in het islamitische tijdschrift Manar is gepubliceerd. Het commentaar wil de betekenis van de Koran voor de moderne wereld aantonen. En dat het boek oproept tot verantwoordelijkheid, in tegenstelling tot wat moslims er in de geschiedenis van hadden gemaakt: een soort fatalisme.

Hij laat me de zes Manar-delen zien. In de kantlijnen van het Koran-commentaar, zijn eigen commentaar in potlood. Hij zou – met onderbrekingen – negentien jaar aan zijn proefschrift over dit Koran-commentaar werken, om er in 1987 in Parijs op te promoveren.
De conclusie van zijn proefschrift is dat het commentaar, met al zijn verdiensten, overal een antwoord op geeft. Als we erover doorpraten, zegt hij dat hij dat ook mist in de islam:
‘Het dramatische dat niet meteen uitleg krijgt. Het absurde. Er is niet veel plaats voor iemand als Job. We spreken van “een jobsgeduld”, maar Jobs geduld is niet zo evident.
‘Verschillende malen vervloekt Job de dag van zijn geboorte. Er is in de islam niet veel plaats voor vragen, voor twijfel. Dat wordt bijna als ongeloof beschouwd. Alleen op begrafenissen wordt getolereerd dat de rouwenden aan God twijfelen. Dat kan haast blasfemische vormen aannemen.’ Het is anders dan bij ons. Bij ons komt God vaak alleen nog in de rituelen rond de dood ter sprake, en wordt Hij verder ontkend. In Egypte is Hij er altijd, maar mag Hij tijdens een begrafenis worden weggehoond.

Aboena Christiaan is niet door het Manar-commentaar bekeerd, maar er wel door gedoopt. Gevoelig geworden voor de klankbodem onder de islam, voor begrippen als: als God het wil, Insha’allah. En: God geeft het succes, Wa lila at-tawfiq. ‘Dat wil zeggen dat het welslagen van een onderneming, ondanks je inzet, uiteindelijk niet van jou afhangt. Ik herken in het Manar-commentaar ook iets van de kern van de jezuïetenspiritualiteit: vertrouw zo op God, alsof God niets doet en alles van jou afhangt. En zet je zo totaal in alsof jij zelf niets doet en God alles. Begrijp je het?’, vraag hij wanneer ik, doordat ik hem al schrijvend probeer bij te houden, iets te vaag knik. ‘Het wordt je gegeven verantwoordelijk te zijn, je in te zetten.’
Voor zijn priesterwijding in 1969, die wegens ziekte van zijn vader in Nederland plaatsvond, koos hij een tekst van Paulus: Hij heeft ons de dienst van de verzoening toevertrouwd.

Hij herinnert zich niet een bepaald moment dat hij priester wilde worden. ‘Het is een kinderroeping, die met me is meegegroeid. Het aspect van de verzoening is er in Egypte ingekomen, door al die verschillende mensen die ik ontmoette. Hier ben ik gevoel voor standpunten gaan krijgen.’
Dezelfde avond dat hij tot priester gewijd werd, tekende hij zijn overgang naar de koptisch-katholieke kerk. Hij heeft toestemming beide riten – zowel de koptische als de Latijnse – uit te voeren. De tatoeage op zijn rechterpols zat er toen al vijf jaar. De overgang is geen impulsieve beslissing geweest. Doordat hij al vanaf 1964 op het seminarie in Caïro les gaf, volgde hij vanzelfsprekend de koptische riten. Hij staat een paar keer per week om half zes op om ergens in de stad een mis op te dragen. Preekt even vaak in koptisch-katholieke als in orthodoxe kerken.

Vorig jaar zijn in een dorp in Zuid-Egypte kopten in een kerk door moslims beschoten. Toevallig kwamen een paar van zijn leerlingen uit dat dorp. ‘Die waren natuurlijk woedend: zie je wel, ze deugen niet. Omdat ik een paar dagen per week op het seminarie woon, en niet van buitenaf kom vertellen hoe ze over de dingen moeten denken, luisteren ze naar me. Ik heb geprobeerd er tegenin te gaan. Heb ze gevraagd: mag je wat een paar jongens hebben gedaan aan de hele islam toeschrijven?’
Ze weten dat hij niet alleen het woord verzoening gebruikt als het om andermans verdriet gaat. Op zijn boekenkast staat een grote foto van Nico Kluiters, de priester die in 1985 in Libanon werd vermoord. De bisschop van Oran die vorig jaar is omgebracht, heeft hij goed gekend. Ik vraag hem of zulke gebeurtenissen de klok van het overleg niet terugdraaien, jaren terug? ‘Nee, juist niet’, antwoordt hij beslist. ‘De moslims die zo’n man gekend hebben, vinden het even erg als wij. Het zijn ook hun doden.

De zeven trappisten die vorig jaar vermoord zijn, woonden in een klooster midden tussen de boeren, uitsluitend moslims. Ze werkten al jaren met elkaar op het land. Die boeren zeiden: “Ze hoorden bij ons.” Ze vinden het vreselijk dat ze het niet hebben kunnen verhinderen. Alles staat er nog precies zo bij in het klooster als op de dag dat de trappisten werden ontvoerd. De boeren houden het klooster schoon en zorgen dat er niet ingebroken wordt. Daarbij zijn wij ons zeer bewust dat wij onze doden nog kunnen tellen. Er zijn in Algerije de laatste jaren negentien religieuzen door geweld omgekomen en ruim 75.000 Algerijnen.’

Hij neemt zijn leerlingen tijdens hun achtjarige opleiding altijd een aantal keren mee naar een
moskee. Laat ze het bandje met Koranteksten horen, dat hij op een avond ook voor mij afspeelt, steeds heen en weer spoelend naar een aya, een vers dat ‘nog mooier’ is: ‘Hier, de negenennegentig benamingen voor God!’ Ik ben verbaasd dat het mogelijk is dat een Egyptenaar nog nooit een moskee van binnen heeft gezien. Tot ik me realiseer dat ook in Nederland veel mensen rondlopen die nog nooit een kerk zijn binnengegaan, maar wel een uitgesproken idee hebben over wat daar gebeurt.

Op weg naar een priesterwijding van een oud-leerling in de drukke volkswijk Imbaba zegt hij dat ook hier niet lang geleden spanningen tussen moslims en christenen waren, en vertelt in een adem door over de slag die Napoleon hier precies twee eeuwen geleden leverde. Zijn liefde voor geschiedenis heeft hij van zijn moeder. ‘Die las gretig kranten, maar was altijd achter, bewaarde al die kranten keurig op stapeltjes, raakte steeds verder achterop. Begon dan gloedvol, alsof het het laatste nieuws was, tegen een buurvrouw over iets dat een jaar geleden was gebeurd.’
Hij wijst om zich heen, zonder zijn pas te vertragen, naar het Imbaba van nu. ‘Hier wonen vooral mensen die vroeger in dorpen woonden. Ze zijn gekomen in de hoop werk te vinden, of omdat hier al familie woont die hen kan ondersteunen.’ In het midden van de straat een vluchtheuvel van vuil, waarin kippen en magere katten rondscharrelen. ‘Sinds hier betere riolering is gekomen, is het weer rustig. Onlusten hebben vrijwel altijd een andere oorzaak. Op het moment dat het slecht gaat met een land of een buurt, naarmate mensen onzekerder worden, zijn ze sterker geneigd zich aan hun religieuze identiteit vast te klampen. Zich in religieuze verschillen in te graven.’

Hij ziet in het gesprek tussen de verschillende godsdiensten twee gevaren: fanatisme en relativisme. ‘Je moet elkaars verschillen erkennen. Maar op basis van wat je gemeen hebt.

Dat geeft de juiste plaats aan het verschil. Het verschil kan heel pijnlijk zijn. Maar als ik een gesprek met een moslim al open met wat er in de Koran over Christus staat – dat hij een profeet is, niet minder maar ook niet meer – of met de ontkenning van de kruisdood, leidt dat tot niets. Beter is het te praten over de grondhouding van beide godsdiensten ten
aanzien van het begrip barmhartigheid.’
Vindt hij het niet moeilijk dat de Koran de andere monotheïstische boekreligies wel erkent, maar ook benadrukt dat de Koran het boek der boeken is? Dat de islam – zes eeuwen na het christendom en negentien eeuwen na Mozes ontstaan – de vervolmaking is van alle voorgaande godsdiensten? Is al dat overleggen niet zinloos als een van de gelovigen toch vindt dat zijn godsdienst superieur is?
‘Ik heb de dogmatici van de echt gelovigen leren onderscheiden. De laatste kan nog zo stellig iets beweren, maar zal er dan op laten volgen: maar uiteindelijk heeft God het laatste woord. Met een goede vriendin van me, een moslim, praat ik vaak over de betekenis van de sluier. Zij kent blootshoofdse vrouwen die heel dogmatisch zijn en op de letter, en gesluierden die willen begrijpen wat ze uit hun hoofd leren. Soms zie je drie soorten sluiers in een gezin.
Zij is lerares Duits en eist dat haar leerlingen bij tentamens de totaalsluier, de zwarte
niqaab die alleen de ogen vrijlaat, afleggen. Ze wil weten wie ze tegenover zich heeft. Het is al eens voorgekomen dat een meisje haar broer, gesluierd, in haar plaats, tentamen liet doen. Daardoor heeft ze nu ook inzicht in wat de niqaab verbergt. Er zijn natuurlijk meisjes die hem uit religieuze overtuiging dragen, maar er zijn er ook die willen verbergen hoe somber ze zijn. Die hem uit recalcitrantie dragen, of om te provoceren. Zij vergeleek het onlangs met iets in Europa, met punkers, kan dat, heet dat zo? Volgens haar neemt de druk om sluiers te dragen alweer af. Sinds een paar jaar zie je hier weer meer ongesluierde vrouwen door de stad lopen.’

Wat betekent ‘de waarheid’ nog voor iemand die voortdurend bezig is de gemeenschappelijke waarden in alle godsdiensten te benadrukken? Hoe leest hij de zin: Ik ben de weg, de waarheid, en het leven?
‘Christus zei niet, het christendom is de waarheid, maar “ik”. Christus is de manifestatie bij uitstek van liefde. Van overgave aan Gods wil, en liefde voor de mensheid. Aan het kruis wordt geweld omgevormd tot liefde. In: Vader, vergeef het hen… En in Zijn hele houding, waar geen wrok in zit of haat. De verrijzenis laat zien hoe betekenisvol deze liefde voor de mensen, tot het einde toe, is. Zichtbaar wordt dat de lichamelijke dood niet het laatste woord heeft. De dood van Christus, die een daad van liefde is, is een overwinning op de dood. De kracht van de liefde blijft bestaan, en door Gods geest blijft hij werkzaam. Ook buiten de kerk om. De kerk is er om te getuigen – niet om te bekeren of aanhangers te werven – dat het laatste woord niet aan de wanhoop is. Pasen – dood en verrijzenis – herken ik overal waar mensen egoïsme overwinnen. Welke godsdienst ze ook hebben.’
Ik vraag hem of ik daaraan mag toevoegen ‘of niet hebben’. Dat mag.

***