De vader van Shakespeare was handschoenenmaker. Honderden handen moet hij aangeraakt hebben; geschat hoe lang de vingers en hoe breed de rug. Hoe opwindend het kleden van handen in allerlei soorten leer en vilt me ook lijkt, naakt zijn ze op hun mooist.
Ik keek altijd al graag naar handen, een verzamelaar werd ik in de kerk. Als lector mocht ik in de Sint Vituskerk, in Naarden waar wij toen woonden, ook de communie uitreiken. Dat hoorde bij mijn taak. De lector stelde zich met de hostiekelk naast de priester op en dan kwamen de parochianen naar voren om de hostie te ontvangen.
De eerste keer was ik druk bezig mijn uiterste best te doen. Ik wilde geen fouten maken. Je kijkt elkaar aan, zegt: Lichaam van Christus’ en legt de hostie in de opgeheven handpalm. ‘Amen’ wordt er geantwoord. Maar een tiental handenparen verder kon ik me op de stroom van de liturgie mee laten voeren, en ik ontdekte hoe groot de verschillen tussen al die handen waren; hoeveel erin te lezen was.
De knoestige hand met eelt moest haast wel van een boer of smid zijn. De vrouw met de gekromde vingers had vast reuma. Er waren ongeschonden handen met zachte roze handpalmen; poezelige handjes; kantoorhanden, kolenschoppen. Vingers met pleisters, een hand in een mitella, een gespalkte duim. Een ding hadden de handen gemeen: ze waren schoon.
Een enkele keer waren handen zichtbaar onthand (per ongeluk verzeild geraakt in onze kerk?). Geen idee dat de linkerhand geopend in de rechter hoorde te rusten, waarna de rechter de ontvangen hostie oppakt en naar de mond brengt. Soms raakte ik zelf in verlegenheid als er in plaats van een hand een roze of wit beslagen tong werd uitgestoken waar ik de hostie op moest leggen. Alsof ik weer zes was en in Artis oog en oog stond met de grote natte tong van een dier dat naar de appel in mijn hand loerde.
Later in de Sint Nicolaasbasiliek in Amsterdam hoorde bij het lectorschap de bekerdienst. Daar overhandigde ik om de zoveel weken de kelk met miswijn, terwijl ik de woorden ‘Bloed van Christus’ uitsprak. Handpalmen kreeg ik amper te zien, de roze noch de beige-roze van Surinamers en Pakistani, want alle palmen omklemden de beker tijdens het drinken. Wat bleef was de blikwisseling.
Betraande ogen, ernstige, stralende. De ontwijkende van de jongen die niet uit overtuiging maar uit beleefdheid te communie ging. Om zijn moeder een plezier te doen? Sterfdag van oma? Ik herinner me de vrouw, een van de eersten in de rij, die altijd twee forse slokken miswijn nam, waarna de beker in een keer halfleeg was. Hoe streng ik haar ook aankeek, ze flikte het me telkens weer. Dan waren er de dik gestifte lippen, waardoor ik met terugwerkende kracht begrip kreeg voor de tandarts die me fronsend een tissue aangaf wanneer ik met felrode mond zijn praktijk binnenliep. Lippenstift of erger nog plakkerige lipgloss betekende dat ik met het witte, daarvoor bestemde, katoenen doekje, de afdruk op de rand van de kelk nog grondiger moest wegvegen, -boenen, voordat ik die aan de volgende kon overhandigen.
Die bekerherinneringen worden niet meer aangevuld. Sinds corona heb ik de kelk met miswijn niet één keer vastgehouden, aan niemand meer overhandigd en er zelf nooit meer uit gedronken. Dat deel van het sacrament is virusveiligheidshalve voorbehouden aan de priester, die nu als enige een eenzaam slokje uit de kelk neemt.
Een gezicht kun je opmaken, een glimlach desnoods forceren; een hand kun je in een handschoen verbergen of terugtrekken in de mouw van een grote trui. Maar opgeheven om het sacrament te ontvangen zijn alle handen even naakt, onverwisselbaar en toch aan elkaar gelijk.
Onze namen staan geschreven in de palm van Zijn hand. Eén handpalm, biljoenen namen. Ik kende bij lange na niet alle namen die hoorden bij de handen waar ik me naartoe boog. Maar de blikwisseling, de aanraking – dichter bij een vreemde kun je niet komen, en ook niet dichter bij de ene handpalm waarin onze namen geschreven staan.