Iets blauws – Nieuwe Koers juni 2023

De maandag is voor mij geen schrijfdag maar een oppasdag. Idrisdag. Ik maak die dag geen aantekeningen, de schriften blijft dicht. Toch ben ik me zelden zo bewust van wat er in een schrijvend hoofd gebeurt, als juist dan op die schrijfloze dagen.

Wanneer ik met studenten werk die worstelen met een verhaalpersonage – hoe het van de grond te krijgen, vleugels te geven – laat ik ze kennis maken met de Engelse bruid. Traditiegetrouw draagt zij op haar huwelijksdag something old, something new, something borrowed en something blue. De bruid, leer ik ze, is ons gereedschap. Something old staat voor het observeren dat een schrijver van nature doet. Something new voor wat er nog niet is, maar ontstaat zodra je de fantasie de vrije loop laat. Something borrowed is de research die we doen, omdat we nu eenmaal niet van elk beroep dat we voor ons personage bedenken genoeg afweten. Daarom interview je een zeezeiler, een postbode of een advocaat. Je leest je van tevoren in om betere vragen te kunnen stellen. Het levert geen portret van de geïnterviewde op, die staat niet te kijk, het personage leent alleen diens beroep.

Something blue, last but not least, is de blauwe kousenband die de bruid om haar bovenbeen draagt onder lagen van tafzij en tule. Niemand krijgt dit geheime stukje stof te zien behalve de bruidegom in de huwelijksnacht (we hebben het hier niet over een hippiehuwelijk). Wat heeft blue met schrijven te maken? Alles, blue kan staan voor een geheim verlangen, maar ook voor een terugkerende nachtmerrie; een beschamende herinnering aan een laffe daad. Iets wat de schrijver van zichzelf weet maar verder niemand iets aangaat. Door je personage iets blauws van jezelf te geven blaas je het leven in. Het maakt een personage niet per se sympathieker, maar de lezer kent nu als enige diens intiemste gedachten en er ontstaat een bondje.

Hoe het werkt zolang een plan voor een boek nog moet rijpen, begrijp ik. Maar wat er in een hoofd gebeurt tijdens het schrijven zelf is voor mij een raadsel dat ik onmogelijk in een beeld kan vangen. Alleen mijn driejarige kleinzoon geeft me iets van inzage.

De oude lezenaar met daarop de opengeslagen Vermeercatalogus (Het meisje met de fluit) wordt een toren die zijn playmobielpopje wil beklimmen. Een hele prestatie, want Idris laat hem er telkens afglijden, op de grond vallen, en een nieuwe poging wagen. Hij moedigt hem aan: ‘Je kunt het!’ Zegt zelfs een paar keer: ‘Je kunt het echt, lieverd’, waaruit ik opmaak dat hij zelf thuis vaak zo bemoedigend wordt toegesproken, dialogen, ook de mijne, komen niet uit de lucht vallen. Als mannetje eindelijk de top bereikt, is dat niet de richel waar het meisje met de fluit op rust. Daar kan Idris niet bij, en hij is te geconcentreerd om mijn hulp in te roepen. Ik til hem niet op, kom niet met een krukje aandraven want hoe graag ik ook meespeel, liever kijk ik toe hoe hij in zijn wereld opgaat.

Na de vondst van een pollepel die nu dienstdoet als tennisracket is het plastic mannetje ongemerkt in een bal veranderd. Welke transformatie er eerder was die van lepel naar racket of die van mannetje naar bal is niet duidelijk en het doet er ook niet toe, zolang het verhaal maar blijft stromen. En dat gebeurt, met een enkele onderbreking. Als we lang genoeg binnen geweest zijn wil hij naar buiten, waar ook van alles te vinden is. Een takje wordt een boor die hij in het gat van een verkeerspaaltje steekt. Er moet dringend iets gerepareerd worden. Minutenlang lopen we van paaltje naar paaltje, totdat Idris zich op de natgeregende betontegels uitstrekt. Hij kijkt naar de bewegende boomtakken en de dwarrelend iepenfschilvers. Hij doet het er niet om, maar ik weet: zonder dit onbaatzuchtig staren ontstaat er niets nieuws. Geen volgend spel, geen wending in een verhaal, geen nieuw gedicht. En worden wolken zoals ze voorbijdrijven in de regels van Martinus Nijhoff nooit eenden, schapen of Scandinavië.