Verentooi – Nieuwe Koers februari 2024

Verkiezingsdag. In de ochtendkrant lees ik een stuk dat niets met de Tweede Kamer verkiezingen te maken heeft maar alles met een keuze. De Canadese Buffy Sainte-Marie (82) is volgens onderzoeksjournalisten niet wie zij al een leven lang beweert te zijn, maar een pretendian. Iemand die pretends to be Indian. Het bewijs is een geboortecertificaat: Geboren in Boston als wit kindje van witte ouders. Dat weerspreekt de talloze interviews die de zangeres gegeven heeft. Daarin ‘gelooft ze’ van inheems-Canadese komaf te zijn, en geadopteerd door een blank ouderpaar. Maar het heeft er alle schijn van dat het precies andersom was. Aan het begin van haar carrière heeft ze een inheemse afkomst aangenomen.

Een begenadigd zangeres, en een talentvol actrice die zich volledig met haar rol identificeerde. Ze trad vaak op met een veer op het hoofd, mocassins aan haar voeten. En kralen ook, veel kraaltjes geborduurd op hesjes, hoofd- en armbanden. Met haar liedjes doorbrak ze taboes. Lang voordat de Canadese overheid zich over de achterstelling van de inheemse bevolking boog, bezong Buffy het lot van ‘haar’ mensen.

Mijn eerste en enige ontmoeting met schrijfster Carl Friedman dateert van halverwege de jaren negentig. Haar debuut Tralievader was een paar jaar eerder verschenen. Ik was onder de indruk van de roman over een vader die getraumatiseerd uit het kamp is teruggekomen en de weerslag daarvan op zijn gezin. Het kan niet anders of ik heb haar gecomplimenteerd, maar dat is niet de reden dat ik me ons gesprek herinner.

Kort voor onze ontmoeting had ik in Opzij een interview gegeven dat ging over mijn toetreding tot de katholieke kerk.  Carl begon erover, en op een heel andere toon dan ik gewend was. Ze vertelde hoe ze als kind vaak met een katholiek vriendinnetje mee naar de kerk was geweest. Ze kon zich heel goed voorstellen dat ik me aangetrokken voelde tot de liturgie van de mis. Ik reageerde blij verrast. Ik voelde me begrepen door de schrijfster van wie ik, net als iedereen in die tijd, aannam dat ze joods was.

Onaangenaam verrast was ik of zeg maar stomverbaasd, toen dezelfde Carl vijf jaar later een fel stuk schreef over ‘Het wonder van de losse olifanten’, een essay geschreven door mijn man Willem Jan Otten. Ze zette zich vooral af tegen de openhartigheid waarmee hij zijn geloof beleed. Praten over God – dat deed je niet, had haar moeder haar geleerd. Verwarring alom bij ons, op Turfpoorstraat 51, maar die werd nog groter toen vijf jaar later aan het licht kwam dat Carl Friedman niet joods was. En niet alleen niet joods, maar van huis uit katholiek.

Nu had ze zelf nooit beweerd dat ze joods was. Dat stond niet in haar boek, en niet op de achterflap. Friedman was geen pseudoniem, de schrijfster droeg de achternaam van haar joodse ex-man. Door de thematiek van Tralievader gingen haar lezers er voetstoots vanuit dat ze het was. Joods. Meegesleept door haar novelle vergaten we dat ook verzetsmensen in de tweede wereldoorlog in Duitse kampen gevangengezet werden, en zo iemand was Carls vader. De impertinente vraag ‘bent u wel joods’ was haar nooit gesteld, en zij was er niet over begonnen, ook niet toen fragmenten uit Tralievader werden opgenomen in een Amerikaanse bundel met teksten van nazaten van joodse overlevenden van de Holocaust. Het moment, opper ik met de kennis van nu, om de verentooi af te leggen. Maar toen was ze misschien al te zeer gaan geloven in het personage dat haar lezersschare in haar zag, en was er geen weg terug meer.

Noemen we wat Buffy en Carl deden culturele toe-eigening, in extreme vorm? Je het lot van de ander aantrekken alsof het jouw lot had kunnen zijn – daar is niet oneigenlijks aan. Totdat het doorschiet in die ander willen zijn, met alles erop en eraan: cultuur, geschiedenis, geloof. Je erin hullen alsof het een kostuum is, en je eigen kleren verstoppen. Tragisch is dat Friedman toen ze ‘ontmaskerd’ werd er nooit over heeft willen spreken, het niet aangedurfd heeft van haar schaamte literatuur te maken.